door Anja Kuhn

Hoofdstuk 15 – Rollercoaster

11 Apr 2026

Deze nacht gaat mijn telefoon. Ik zie het nummer van Luca en ik ben op slag klaarwakker. Ik neem op: “Hé schat, wat is er aan de hand?”. Ik hoor een angstige Luca aan de andere kant van de lijn: “Mam, ik voel me niet goed. Ik tril heel erg en kan daar niet mee stoppen. En ik zweet zo verschrikkelijk. Ik weet niet wat ik moet doen.” Ik ga rechtop in bed zitten en mijn hersenen zoeken naar de juiste route.

“Ben je bang?”, vraag ik. “Ja”, geeft zij terug en ik hoor het aan haar stem. “Heb je de zuster er al bij gehaald?” vraag ik. “Ja, dat heb ik, maar ze weten het ook niet zo goed. Ze willen wel even contact opnemen met een arts.”

Ineens heb ik een andere stem aan de lijn en ik begrijp niet goed wat er tegen mij gezegd wordt. Het duurt even voordat mijn brein het doorheeft.

Ik heb een zuster aan de lijn die het grappig vindt om met mij Duits te praten. Ik besef dat zij naast Luca heeft gestaan en gehoord heeft dat wij in het Duits met elkaar hebben gesproken. Maar deze stem ken ik niet en ze praat net wat te hard en te vrolijk voor deze situatie.

Ik antwoord in het Nederlands, maar de stem aan de andere kant van de lijn blijft in moeilijk verstaanbaar Duits tegen mij praten. Ik geef aan dat zij met mij geen Duits hoeft te praten en vraag haar om Nederlands te spreken, maar dat negeert zij. Zij heeft hier duidelijk lol in om een beetje Duits te oefenen en dat irriteert mij enorm.

Ik ontcijfer uit haar gebrekkige taalgebruik ‘dat ik mij maar geen zorgen moet maken’ en ‘dat het vast goedkomt’, maar dat Luca eventjes ‘mama’s stem’ moest horen.

Zegt ze dit nou echt? En blijft ze maar doorgaan om slecht Duits met mij te praten? En dat midden in de nacht? Ik voel ongeloof en heb het met Luca te doen. Wat een betuttelende woordkeuze en totaal niet passend bij de zorgen van Luca en alles waar wij de afgelopen maanden en dagen doorheen zijn gegaan.

“Mag ik mijn dochter weer even spreken?”, zeg ik tegen die stem en ik hoor dat de telefoon doorgegeven wordt.

“He schat, ik hoor al waar jij over valt met deze zuster en ik begrijp het helemaal. Ik vind het ook vervelend dat ze zo doet”. Ik hoor Luca instemmen. “Je hoeft nu ook even niets uit te leggen, daar hebben we het morgen verder over, maar voel je je veilig genoeg of moeten we nu komen?”, vraag ik aan haar.

“Nee, jullie hoeven niet te komen. Ik werd alleen even zo bang van dat trillen”, geeft zij terug.

“Dat snap ik helemaal en is ook niet gek na alles wat jij de laatste tijd hebt meegemaakt. Dan mag jij bang worden van dat trillen. Ik denk dat het vooral bijwerkingen zijn van de medicatie.”

Ik spreek deze woorden uit en hoor direct stemmen in mijn hoofd die daar iets van vinden. ‘Weet je dat wel zeker, Anja? We werden voor al die andere symptomen ook steeds maar weer naar huis gestuurd.’ Toch zegt mijn gevoel deze keer dat ik goed zit, maar onzeker word ik daar wel van. Ik ben geen medicus en deze irritante stem aan de andere kant van de lijn die nu, midden in de nacht, over mijn dochter waakt, helpt niet en ondermijnt mijn vertrouwen.

Toch maakt een andere kant in mij een snelle optelsom en kiest ervoor dat Luca daar nu veilig is. In ieder geval veilig genoeg om er niet direct heen te gaan. Ik merk aan mijn hartslag en mijn inmiddels trillende handen dat ik ook uit moet kijken om niet te ver over mijn eigen grenzen heen te gaan. Maar oh, wat is dit moeilijk. Toch kiest mijn innerlijke teamleider een koers en neemt de regie.

“Durf vooral aan de bel te blijven trekken als je het niet vertrouwt. Mij mag je ook altijd weer bellen.”

Dat heb je na al die maanden van ‘weggestuurd worden’ wel verdiend, voeg ik er in mijn hoofd aan toe.

“Het gaat alweer wat beter”, geeft ze terug en ik hoor aan haar stem dat ze iets begint te ontspannen. “Dan hoop ik dat je nog een beetje kunt slapen, schat, en we komen direct morgenvroeg of eerder als dat toch nodig is.”

“Ik denk niet dat dat nodig is”, zegt ze, en we ronden het gesprek voor nu af.

Wat dat betreft had de zuster inhoudelijk dus waarschijnlijk gelijk, maar wat heeft ze het onhandig aangepakt. Daar ga ik morgen nog wel even werk van maken, besluit ik inmiddels wat milder. Ik ben niet uit op ‘gedoe’, maar vind het belangrijk dat zij begrijpt wat zo’n onhandigheid met anderen kan doen. Gelukkig word ik daarin later ook gehoord en kunnen we er een rustig en constructief gesprek over voeren.

*

Gerustgesteld ben ik desondanks niet en de adrenaline giert nog door mijn lijf nadat het telefoongesprek met Luca is beëindigd. Kort daarna ontvang ik rond 4 uur nog een appje met de 2 hartjes van Luca. De slaap kan ik desondanks niet vatten en steeds weer kijk ik op mijn telefoon.

Uiteindelijk ga ik eventjes naar beneden en zoek de hondjes op. Zij komen direct naast mij op de grond liggen. Dat brengt weer een beetje rust in mijn lijf. Einstein legt zijn hoofd op mij en ik hoor zijn diepe ademhaling en dat kalmeert mijn overactieve zenuwstelsel. Na een hele tijd bij ze te hebben gelegen, durf ik het aan en ga ik toch nog even op bed liggen.

*

Dat honden, of dieren, een kalmerend effect hebben op ons mensen, wist ik al sinds de komst van mijn eerste hond Buffy. Voor mij was de nabijheid van mijn hond helend in de jaren van rouw en verdriet. Onbewust heb ik dieren altijd opgezocht, en al helemaal als ik het emotioneel moeilijk had.

In 2014 ben ik begonnen met mijn opleiding tot coach met ondersteuning van honden. Tijdens deze eerste coachopleiding werd dat bevestigd en onderbouwd. Ik had dat allang ervaren. Dieren hebben een kalmerend effect op ons zenuwstelsel. Door het lichamelijk contact met dieren komt oxytocine vrij en worden stresshormonen zoals cortisol verlaagd. Dat leidt tot minder angst en stress.

De ritmische actie van het aaien, maar ook enkel de nabijheid van een hond zonder aanraking, activeert het parasympathische zenuwstelsel, waardoor onze hartslag vertraagt en de bloeddruk daalt. De natuurlijke aanwezigheid van dieren heeft daardoor een rustgevende, haast meditatieve werking op ons mensen en bevordert het herstel.

Een uitzondering hierop zijn uiteraard mensen met angst voor honden of dieren in het algemeen.

Belangrijk is dat het dier, in mijn geval mijn honden, hierin altijd zelf een keuze heeft en nooit geforceerd wordt om contact te maken. Ook honden hebben verschillende karakters en behoeftes en die moet je goed kennen en respecteren en de taal van de hond kunnen lezen. Dat betekent dat je iedere dag, zelfs ieder moment, opnieuw afstemt en observeert, want net als bij ons mensen is ook de hond een emotioneel wezen en daar horen veranderende levensfases en behoeftes bij.

*

Ik val in slaap en droom weer van mijn broertje in de politieauto. Ik word zwetend en met een kloppend hart wakker. Verdorie, ik haat deze droom. Maar hij geeft mij ook informatie over de omvang van mijn zorgen.

Ik kijk op mijn telefoon en zie dat Luca alweer een bericht heeft gestuurd. “Ik heb weer hoofdpijn.”

Ik voel boosheid opkomen, niet op Luca, maar op het leven. Ik wil roepen: ‘Laat mijn kind met rust’ of misschien ook ‘Laat mij met rust’.

“Al lang?”, app ik terug. “Een uur, maar de arts heb ik nog niet kunnen spreken”, antwoordt zij. “Oké, we maken ons klaar en komen naar je toe. Weet je nog dat Lena en Yako vandaag ook nog langs wilden komen?” vraag ik haar. “Ja, dat weet ik nog”, geeft ze terug en ik ben toch even opgelucht. Ze kan het zich herinneren.

“Is je dat niet te veel bezoek?”, vraag ik nog, want haar vriendinnen komen ook nog elk 15 minuten langs. “Nee, natuurlijk niet.” Dit antwoord stelt mij voldoende gerust om nu niet in paniek te raken en mezelf enigszins tot rust te brengen. De alertheid blijft. De situatie voelt wankel. Onbetrouwbaar. We zijn er nog niet, denk ik.

*

Vandaag komt Yako samen met zijn gezin naar Drenthe om daar het Paasweekend te verblijven, samen met Lena en haar gezin. De kinderen vermaken zich ongetwijfeld met elkaar. Ze kunnen het altijd goed met elkaar vinden. Voor de volwassenen zal het door alle spanning rondom Luca een ander kleurtje krijgen dan oorspronkelijk gedacht.

Een voordeel is dat Yako en Lena nu samen met de auto kunnen komen en Lena niet meer afhankelijk is van een omslachtige busverbinding. De kinderen mogen nog niet bij Luca op bezoek komen in verband met te veel prikkels en infecties. Luca wil zelf ook niet dat de kinderen haar zo zien. Ze heeft een groot litteken op haar hoofd, nog steeds de drainage, en haar haar zit ook nog steeds onder het bloed en ander lichaamsvocht. Het is nog te vroeg om het haar te wassen.

*

Onderweg naar het ziekenhuis lees ik dat de drainage van Luca deze morgen inderdaad is dichtgedraaid. Spannend en een volgende belangrijke stap in dit proces van herstel.

Luca kijkt gelukkig opgewekter dan verwacht als we binnenkomen en we bespreken de dag en de planning van vandaag en besluiten om voorlopig alle afspraken door te laten gaan.

Oliver gaat tussentijds naar huis om er voor de honden te zijn en een verrassing voor Luca voor te bereiden. Luca’s fiets is namelijk al lang aan vervanging toe en op de dag van de grote operatie zei Oliver: “Als dit alles goed afloopt, dan ga ik zorgen dat Luca een nieuwe fiets krijgt.” Terwijl ik even helemaal geen energie en aandacht heb voor dit soort dingen, geeft het hem juist iets in handen. Iets waar hij wel invloed op heeft. Iets wat hij ook leuk vindt om uit te zoeken. Het is zijn manier van ‘overleven’ in deze stressvolle tijden en het geeft hem energie.

*

Deze dag wordt een rollercoaster en brengt mij een beetje aan mijn grenzen van ‘veerkrachtigheid’. Het ene moment lijken we naar een stijgende lijn te kijken en een halfuur later ziet alles er weer totaal anders uit.

Als ik even beneden in de kantine koffie drink, omdat een vriendin bij Luca is, krijg ik een foto gestuurd met een vrolijke Luca, die zelfs even alleen achter de rollator door de kamer loopt. Ik moet erom lachen en hoor een stem in mij zeggen: ‘Zie je, het valt toch allemaal mee. Je bent gewoon wat te fijntjes afgesteld’.

Het volgende moment ontstaat er weer een totaal ander beeld, met een dochter die trillend, misselijk en bang op bed ligt en zich zorgen maakt of alles wel goedkomt. Het zweet loopt dan letterlijk uit haar handen en ze is emotioneel en heeft ineens weer koorts.

Het is een op en neer. Ik kan daardoor niet tot rust komen. Ik merk op een gegeven moment dat anderen een positiever beeld krijgen dan dat ik het heb, want in hun bijzijn zien ze vooral de Luca die goed lijkt te herstellen. De momenten waarop het niet goed gaat, zien ze niet. Dat vind ik lastig. Het voelt op een bepaalde manier eenzaam.

Een arts ziet mij op de gang hiermee worstelen en legt aan mij uit dat het waarschijnlijk komt omdat Luca zich bij mij niet groot hoeft te houden. “Bij anderen gaat ze toch, en al is het onbewust, een beetje vermaken”, legt hij uit, “en bij jou hoeft dat niet. Dat is een bekend verschijnsel”, geeft hij aan.

Hij steunt mij in mijn voorzichtigheid.

“Dank je wel”, zeg ik tegen hem, “want ik twijfel soms of ik het niet goed meer zie.

“Nee, je ziet het juist heel goed en daar zijn wij ook alleen maar blij mee. Aan jou hoeven we niet uit te leggen dat Luca het rustig aan moet doen; zij zelf overschat zich hierin nog een beetje. Dat is ook niet gek, want zij wil hier snel doorheen, maar zo werkt het helaas niet. Zij zal moeten leren om geduld te hebben.”

Dat is goed om te horen en ik voel me gezien, maar het bevestigt ook een beetje mijn zorgen. Soms ben ik jaloers op iedereen die alleen maar de ‘leuke’ momenten met Luca meemaakt. Dat scheelt een hoop stress en zorgen, maar het lastigste vind ik dat ik mij zo alleen voel in mijn bezorgdheid.

*

Wat ik niet goed doorheb, is dat ik mij daarin ook op heel bekend en vertrouwd terrein begeef. Ik kan niet ‘niet zien, wat ik wel zie’. Dat raakt in een soort onderstroom, iets ouds in mij.

Ook toen zag ik wat er speelde tussen mijn ouders en zag ik angst, onmacht en verdriet bij mijn moeder, en de buitenwereld zag een heel ander plaatje. Dat gevoel van ‘alleen zijn’ wordt door deze ervaringen uit het verleden in het nu versterkt.

Mijn innerlijke kleine meisje zoekt wanhopig naar (h)erkenning en heeft even niets aan relativerende woorden, hoe goed bedoeld ook. Ze hunkert naar iets anders. Naar ‘gezien worden’ en ‘klein mogen zijn’. Naar ‘troost vinden’ en ‘een paar extra ogen’ die de realiteit zien zoals zij die ziet.

Mijn innerlijke kleine meisje is moe.

0 Comments

Submit a Comment

Your email address will not be published. Required fields are marked *