door Anja Kuhn

Hoofdstuk 7 – Begin jaren ‘70

13 Feb 2026

De vele uren in het ziekenhuis zorgen ervoor dat herinneringen van vroeger gaan opleven, toen ik 4 weken lang zelf op de kinderafdeling lag met hartklachten. Het moet aan het begin van de jaren 70 geweest zijn.

Na het overlijden van mijn broertje (hij was toen 4,5 maand oud), stond ons aller leven in het teken van rouw. Niemand zag het aankomen en van de ene op de andere dag werd het leven van ons als gezin ontwricht.

Ik was 4 jaar oud en op een maandagmorgen eind augustus hoorde ik mijn vader in de badkamer. Het was nog donker, want hij moest heel vroeg vertrekken en zou weer de hele week weg zijn voor zijn werk. Zoals vaker riep ik hem daarom om afscheid te nemen. Ik sliep bovenin een hoogslaper en voor die hoogslaper stond het babybedje van Carsten, mijn broertje.

*

Het valt mij nu ineens op dat zijn naam voor mij altijd vreemd is gebleven, niet vertrouwd, terwijl ik bij het gebruiken van de woorden ‘mijn broertje’ iets liefdevols voel.

*

Mijn vader opende zachtjes de deur en alleen het licht van de gang viel naar binnen. Hij liep naar mij toe om gedag te zeggen en draaide zich vervolgens om, om in het bedje van mijn broertje te kijken, maar hij zag hem niet liggen. In een snelle beweging sloeg hij het dekbedje terug en daaronder lag mijn broertje, levenloos.

Ik voelde de paniek van mijn vader, hoorde hem roepen naar mijn moeder – het licht ging aan en daar lag mijn broertje met een blauw kleurtje over zich heen. Hij was gestikt in zijn slaap.

Wat daarna volgde, heb ik in mijn brein opgeslagen als een soort film die ik nog vele, vele jaren als in een soort herhaling zou zien draaien.

Je noemt het ook flashbacks of herbelevingen als gevolg van een traumatische gebeurtenis. Een trigger die herinnert aan de situatie van toen kan er dan voor zorgen dat het lichaam reageert met bijvoorbeeld intense emoties, hartkloppingen, zweten of nachtmerries. Normaal functioneren wordt dan tijdelijk moeilijk tot zelfs onmogelijk. Ons systeem zoekt instinctief naar bepaalde overlevingsstrategieën en -mechanismen om met datgene wat ‘te groot is om te kunnen bevatten’ toch om te kunnen gaan.

*

Er was hectiek en er liepen veel mensen heen en weer, bekende en onbekende mensen. Terwijl ik nog uren daarboven op mijn hoogslaper zou zitten. Ze waren mij daar vergeten, bleek later.

Ik zat muisstil in het uiterste hoekje en hield alles in de gaten. Ik observeerde, iets wat ik daarna nog veel zou doen. Stil kijken en informatie verzamelen.

Mijn innerlijke observeerder was geboren.

*

Toen op een gegeven moment ook nog de politie onze kinderkamer binnenkwam, werd ik helemaal overweldigd. Het maakte me bang, want ik associeerde politie met gevaar en met ‘braaf moeten zijn’, maar ik had geen idee wat ‘braaf zijn’ op dat moment was. Hoe moest ik me gedragen?

Ik koos voor ‘onzichtbaar zijn’; dat leek me het meest veilig en verklaart denk ik ook waarom niemand mij opmerkte.

‘Onzichtbaar zijn’ werd vanaf dat moment een belangrijk overlevingsmechanisme voor mij, dat mij nog vaak uit de wind zou houden, maar waar ik in mijn latere leven ook last van zou krijgen.

*

Mijn hele basisschooltijd bracht ik op die manier door, oberverend en vaak onzichtbaar.

Ik haalde op toetsen altijd hoge cijfers, want ik werkte graag en hard en begreep alles, maar ik zei niets. Op de Duitse basisschool kreeg je gecombineerde cijfers. Deze cijfers bestonden uit een cijfer voor alle resultaten voor de gemaakte toetsen en een ander deel voor ‘mondelinge deelname’ aan de lessen. Ik weet nog heel goed hoe frustrerend het voor mij was dat mijn gemiddelde cijfer steeds omlaag werd gehaald door mijn mondelinge cijfers, terwijl ik alles wist.

Beter zelfs dan die medeleerlingen die veel vertelden, maar er vaak niets van begrepen. Dat voelde oneerlijk. Maar als mijn moeder of een leraar tegen mij zei: “Dan steek toch gewoon vaker je vinger op en breng in wat je weet”, dan verstijfde ik helemaal en voelde ik me erg alleen en onbegrepen, want ik ‘koos’ hier niet voor, ik kon niet anders.

Pas veel later in mijn leven zou ik stap voor stap en in een lang proces leren dat zichtbaar zijn niet langer onveilig is. En niet alleen dat, maar dat het zelfs hele mooie en waardevolle kanten heeft.

*

Nog jaren later droomde ik van een politieauto waar mijn kleine babybroertje op de achterbank zat en meegenomen werd. Dat was natuurlijk niet waar, maar in mijn droom kwam dit scenario telkens weer langs en werd ik iedere keer zwetend en overstuur wakker.

*

Sinds Luca is opgenomen, komt deze droom ook weer regelmatig terug, merk ik. Ik kan niet ‘redden’ is de onderliggende emotie en dat is angstaanjagend. Ik kan alleen maar hopen en vertrouwen en zijn met ‘het niet weten’.

*

De politie moest die ochtend in augustus komen om te kijken of er geen sprake was van een misdrijf en mijn vader, die later haast nooit meer in mijn bijzijn hierover sprak, vertelde nog wel een keer dat hij die situatie als heel heftig heeft ervaren. Het idee dat iemand zou kunnen denken dat hij zijn kind iets zou hebben aangedaan.

Hij vertelde ook dat diezelfde politieagenten een aantal weken later nog eens langskwamen om de babykleertjes terug te brengen die Carsten die nacht aanhad. “Ze gaven mij een plasticzakje en ik wist niet wat het was”, zei hij. Toen hij in de zak keek, begon hij de agenten op een bittere manier uit te lachen, dusdanig absurd als de situatie in zijn beleving was. Het was een mix van schaamte, boosheid en het gevoel van onmacht, legde hij uit. “Want, wat moest ik nou nog met die kleertjes?”. Hij was boos op het leven en dat niet voor het eerst.

*

Zelf vraag ik me nog steeds soms af in hoeverre hij zijn narcistische persoonlijkheid misschien niet of in ieder geval minder had ontwikkeld, als dit allemaal niet was gebeurd. Ik vermoed dat het in ieder geval voeding gaf aan het proces, net als een aantal andere factoren.

Maar een antwoord zal ik niet meer krijgen en met het ouder worden doet het er voor mij ook niet meer toe. Ik hoef het antwoord niet meer te weten.

Niet vanuit onverschilligheid. Het proces van ‘bewustwording’ heeft eraan bijgedragen dat mijn volwassen kant nu anders omgaat met dit gegeven. Makkelijk is het nog steeds niet, maar ik kan er op een bepaalde manier ‘mee zijn’ en dat geeft ruimte.

*

Ik herinner mij ook hoe ik op een gegeven moment eindelijk uit mijn bedje klom om mijn moeder te zoeken. Vanuit de deuropening van mijn kamer kon ik haar zien zitten op de rand van het ouderlijk bed, huilend en heel verdrietig. Ik wilde naar haar toelopen om haar te troosten, maar de buurvrouw hield mij tegen. Ik mocht niet bij haar komen.

Hierdoor had ik de rest van mijn leven de pest aan haar en dat is ook nooit meer goedgekomen. Naar buiten toe speelde ik ‘het beleefde meisje’ en gedroeg ik mij zoals van me verwacht werd, maar ik bleef een sterke afkeer tegen deze buurvrouw houden. Iedere keer dat ik haar zag, voelde ik een negatieve stroom door me heen gaan.

Dat mocht ik niet voelen, wist ik, omdat mij steeds verteld werd dat de buurvrouw ‘aardig’ was, maar ik voelde iets anders. En zij voelde dat ook en reageerde altijd koeltjes op mij.

*

Begin jaren 70 werd er nog heel anders omgegaan met verlies en rouw dan nu. Je moest het zelf maar een beetje uitzoeken en er was voor mijn ouders geen professionele begeleiding, niet voor hun eigen rouwproces en ook niet voor de begeleiding van je kind.

Je sprak met familieleden of vrienden – dat deed tenminste mijn moeder. Mijn vader sprak er bijna nooit over. Hij ging veel werken.

Voor mij als kind was er helemaal niets. Men was toen nog in de veronderstelling dat je kinderen het beste kon beschermen tegen het verdriet, door het te negeren en net te doen alsof er niets was gebeurd.

*

Zo mocht ik ook niet mee naar de begrafenis en kan ik mij niet herinneren dat er überhaupt eens iemand gevraagd heeft naar mijn gevoelens of belevenissen. Bij jonge kinderen dacht men dat zij het ‘vergeten’ – wat een enorme misvatting is, weet ik uit ervaring. Juist het ‘negeren’ maakte het voor mij ongrijpbaarder en gaf mij een gevoel van eenzaamheid.

In mijn eentje kon ik er geen kant mee op en zo werd ik nog vele, vele jaren vooral heel erg verdrietig als ik aan mijn broertje dacht of over hem vertelde. Pas nadat ik na mijn 30e psychologische hulp begon te zoeken, kon het rouwproces eindelijk in beweging komen. Langzaam, maar ik voelde voor het eerst iets anders dan alleen die onmacht en dat gaf verlichting.

Op aanraden van mijn psycholoog vroeg ik daarom een keer om een gesprek met mijn ouders over het overlijden van Carsten. Daarvoor kwamen ze naar Groningen en ik weet nog dat mijn moeder mij met een verdrietige blik aankeek toen ik vertelde over mijn herinneringen. Ze zei: “Zie je, daar was ik al bang voor – dat je je het toch allemaal kunt herinneren. Iedereen zei dat dat niet kon, omdat je zo jong was, maar ik twijfelde daar altijd aan.”

Mijn herinneringen bleken allemaal te kloppen, bevestigde mijn moeder.

*

Terwijl ik aan de buitenkant stil werd, geen aandacht trok, me aanpaste en braaf was om mijn ouders geen extra zorgen te maken, kon mijn lijf de rouw, het verlies en de traumatische ervaring op een gegeven moment niet meer aan. Een aantal maanden later kreeg ik ineens last van mijn hartje. Nu denk ik – van mijn gebroken hartje, want mijn broertje was er weliswaar maar kort, maar betekende veel voor me.

Na zijn geboorte was ik helemaal gek op hem. Ik was ontzettend trots en mijn moeder vertelde dat ik voor het eerst in mijn leven een makkelijke eter werd. Na zijn dood veranderde dat weer.

Ook sliep ik daarna erg onrustig en als mijn moeder mij dan bij zich haalde, ging mijn hartje helemaal tekeer. Vanuit angst om mij ook nog kwijt te raken, ging ze met mij naar de kinderarts en die merkte inderdaad een hartritmestoornis bij mij op. Ik werd doorverwezen naar het kinderziekenhuis en daar moest ik uiteindelijk 4 weken verblijven.

*

Ik zie nog de koude, galmende gangen voor me, met hoge plafonds, kale kamers enkel met metalen bedden. Sommige bedden hadden hele hoge metalen spijlen, waardoor ze leken op kooien.

Een tijdje lag in zo’n ‘kooi’ naast mijn bed een kind dat weliswaar ouder was dan ik, maar dusdanig ondervoed dat het meer op een spook leek.

Toen ik vele jaren later de beelden zag van lijken in de concentratiekampen, moest ik weer aan dat kindje denken.

Het maakte me bang, omdat het ook niet sprak of op een andere manier contact opnam met de buitenwereld. Nog steeds vraag ik me af hoe het met dat kind zou gaan en wat er aan de hand is geweest. Maar dat antwoord zal ik nooit krijgen. De volwassenen deden er in het ziekenhuis vooral heel geheimzinnig over.

*

De zusters en artsen hadden stijve witte, gladgestreken kleren aan en de vrouwen droegen stijve witte mutsjes in de haren. Ze waren streng en er waren veel regels om je aan te moeten houden.

In die tijd was het niet gebruikelijk dat ouders hele dagen in de buurt van hun kind mochten verblijven in een ziekenhuis. Tenminste niet in Duitsland, maar ik vermoed ook niet in Nederland.

Alleen in de middag mocht bezoek komen tussen 15:00 en 17:00. De rest van de dag waren er onderzoeken, moest je rusten en soms mochten we kleuren. Lezen kon ik toen nog niet, maar boekjes bekijken lukte wel. Het waren lange dagen en ik keek veel uit het raam. Ook hier was ‘onzichtbaar zijn’ het veiligst.

Meerdere keren per week moesten alle kinderen in een lange rij in de gang staan voor een kamer waarin bloed werd geprikt. Die spuiten van toen waren van glas en groot, met veel dikkere naalden dan die er nu gebruikt worden. Alle kinderen in de rij stonden te huilen, maar daar werd geen aandacht aan gegeven. Op het moment dat het jouw beurt was, werd je gewoon naar binnen geschoven.

*

Tijdens de bezoekuren kwam mijn moeder langs, soms samen met mijn oma en in de weekenden ook mijn vader. Dan gingen we naar buiten of in een café van het ziekenhuis iets lekkers eten. Dat waren mooie momenten. Ook kreeg ik nieuwe kleurboekjes.

*

Ik voelde me destijds heel vaak alleen en de geur van ziekenhuizen vond ik nog lange tijd moeilijk te verdragen. Ik kreeg dan last van vluchtneigingen. Deels heeft dat ook te maken met de veel afstandelijkere en soms zelfs onvriendelijke manier waarop ik als ‘patiëntje’ benaderd werd.

Ook later, toen ik op mijn 17e nog een keer werd opgenomen voor het verwijderen van mijn keelamandelen en tijdens de bevallingen van mijn twee oudste kinderen had ik daar last van.

Pas met de bevalling van Luca in een Nederlands ziekenhuis begon dat te veranderen en werden ziekenhuizen in mijn beleving anders.

Ziekenhuizen blijven op een bepaalde manier ‘niet leuk’, want je komt er natuurlijk altijd met een reden en/of in een kwetsbare situatie. Maar mijn ervaringen in Nederlandse ziekenhuizen zijn een stuk positiever. Het personeel is vriendelijker en makkelijker benaderbaar.

Dat bevestigen later ook Lena en Yako, als zij bij Luca op bezoek komen.

0 Comments

Submit a Comment

Your email address will not be published. Required fields are marked *