door Anja Kuhn

Hoofdstuk 16 – Uit huis, deel 2

17 Apr 2026

De avond dat ik het huis uit ben gegaan, logeerde ik eerst een paar nachtjes in het ouderlijk huis van mijn vriendin. Er overwoog een enorm gevoel van opluchting, maar er was ook diep verdriet en een groot besef dat ik nu helemaal op mezelf was aangewezen.

Ik voelde mij sterk en was vastberaden om vanaf nu mijn eigen weg te bepalen, maar ik had totaal geen idee hoe dat moest.

Ik had nog twee jaar school voor de boeg totdat ik mijn diploma op zak zou hebben. Tenminste als mij dat ging lukken.

*

Ik had geen geld, geen baan, geen kamer, maar ik had iets anders: moed, en ik voelde mij eindelijk vrij. Of misschien wel ‘bevrijd’ en tegelijkertijd ook heel alleen, ondanks het feit dat ik een groot netwerk om mij heen had.

Het voelde alsof er hele tegenstrijdige krachten aan mij gingen trekken, maar ik wist een ding zeker: er was geen weg terug. Dat was voor mij geen optie.

Te vaak had ik hoop gehad, te vaak had ik mijn best gedaan, te vaak had ik erom gesmeekt om mezelf te mogen zijn, te vaak had ik willen redden, te vaak had ik de zin gehoord: jij bent een niemand!

“Jij bent een niemand en heel misschien kun je ooit wel iemand worden”, klonk het dan vol minachting mijn kant op en ik keek weer in die harde strakblauwe ogen van mijn vader.

Deze zin galmde nog lange tijd door me heen, alsof deze woorden probeerden om mij te vangen. Als demonen of geesten die je in je dromen achtervolgen. Je kunt telkens weer net ontsnappen en je in veiligheid brengen, maar het is een angstaanjagende tocht waarin je voortdurend op de vlucht bent.

Ik was vastbesloten om niet toe te laten dat deze demonen mij in hun macht zouden krijgen.

*

Deze avond koos ik onderbewust een strategie die ik in mijn leven nog vaker zou toepassen. Stap voor stap.

Misschien hielp het op dat moment dat ik juist geen vastomlijnd plan had. Ik hoefde alleen maar de eerstvolgende stap te bedenken. Ik kon daardoor ook niets fout doen, want er was geen zichtbare of onzichtbare meetlat meer waaraan ik gemeten werd. Het plaatje waaraan ik nu bouwde, ontstond ter plekke en binnen de opties die zich mij boden. En – ik had niets te verliezen.

*

Na de eerste paar nachtjes bij mijn vriendin mocht ik voorlopig bij mijn oma, de moeder van mijn moeder, logeren. Zij had een klein appartementje met een slaapkamer en een woonkamertje en zij had een hond.

De hond was al een tijd mijn maatje en toen mijn oma hem in huis nam, mocht ik hem een naam geven en hem samen met haar opvoeden. Ik gaf hem de naam Sir James, dat vond ik wel een stoere naam, en ik was inmiddels 16 jaar oud. Hij was een soort blonde labrador op lage poten.

Ik had hem de laatste 2 jaar al zeer regelmatig voor langere periodes verzorgd. Achteraf denk ik dat mijn oma Sir James voor mij heeft genomen. Zelf wilde ze namelijk eigenlijk helemaal geen hond. Zij was vaak op reis of hielp maanden achter elkaar op een boerderij op het platteland en dan kon Sir James niet mee. Dat zei ze in ieder geval.

Pas veel later realiseerde ik mij dat dat waarschijnlijk een bedacht argument was. Ik miste Buffy namelijk ondertussen enorm en mijn ouders wilden geen nieuwe hond in huis nemen. Met de komst van Sir James kwam er weer een bron van liefde en vertrouwen in mijn leven en zonder dat ik het destijds zo had kunnen beschrijven. Zijn aanwezigheid had een kalmerend effect op mijn stresssysteem.

*

Terwijl mijn oma mij een eerste onderdak gaf, was dat natuurlijk niets voor langere tijd. We zaten dicht op elkaar en ik wilde toch echt mijn eigen plek. Het gaf mij wel wat ademruimte en de mogelijkheid om mij verder te oriënteren. Ik stond in ieder geval niet op straat, kreeg eten en had een plek om mijn huiswerk te doen, en soms kwam mijn moeder langs en kon ik haar even zien. Dat was tegelijkertijd ook enorm confronterend en pijnlijk.

*

Een keer vertelde ze dat ze hulp had gezocht bij een psycholoog en een uurtje met die man had gesproken. “Hij heeft mij de vraag gesteld: met wie wilt u de rest van uw leven doorbrengen? Met uw man of met uw dochter?”

Ik weet nog dat ik heel even hoop voelde opkomen, maar die was maar van korte duur. “Toen zei hij: uw dochter gaat nu namelijk haar eigen leven leiden en toen wist ik dat ik voor papa moet kiezen”, vervolgde ze, en daarmee was het thema voor haar duidelijk. Voor mij ook, want nuances zouden er niet in zitten, besefte ik.

Ze heeft het bij dit ene gesprek gelaten. Meer had ze niet nodig, was haar conclusie.

Nu weet ik: het was een intakegesprek, niet meer dan dat. Maar voor haar was het voldoende om haar koers voor de toekomst te bepalen. Zij liet mij los.

*

Met dit besef in mijn hoofd deed ik er alles aan om mijn netwerk te activeren. Ik had gelukkig een aantal hechte vriendenkringen om mij heen. Een groep waar ik de afgelopen jaren al veel mee opgetrokken was en die wisten wat er bij mij thuis speelde.

Er was een vriendengroep vanuit het orkest waarin ik speelde, een groep vanuit school en een groep vanuit de CVJM, oftewel Christlicher Verein junger Menschen (internationaal beter bekend als YMCA), waar ik nogal actief was. Terwijl ik verder niet gelovig ben, heb ik daar een veilige plek gevonden waar ik altijd welkom was.

Ook zat ik op school in allerlei besturen en zette ik mij in voor maatschappelijke doelen. Het waren de vroege jaren 80, de tijd van de Koude Oorlog, en die dreiging voelden we in alles. Mede door de grens die toen nog dwars door Duitsland heen liep.

*

Een paar weken later kreeg ik, na een aantal keren hospiteren voor een kamer, de kans om voor een klein bedrag in een studentenhuis een kamertje te huren. Eigenlijk was dat kamertje niet in dat studentenhuis, maar in de kelder (een soort souterrain). Ik kon er net een 1-persoonsslaapfauteuil in kwijt, een kleine kast en een bureau, maar het kamertje had een groot raam naar de achtertuin en de rest interesseerde mij niet zozeer. Ik voelde me als een koning in mijn eigen rijk en ik was veilig.

Om naar de WC of in de keuken te kunnen komen, moest ik eerst een hele tocht maken door de donkere, koude en wat muffe gangen van een grote gemeenschappelijke kelder van het appartementencomplex. Daarna moest ik een trap omhoog, door de algemene hal en dan naar de woning, waar mijn kamertje bij hoorde. Soms liet iemand per ongeluk de sleutel aan de binnenkant zitten en dan kon ik niet naar de wc. Dat was dan vervelend, maar ook dat vond ik niet erg.

*

De kamer was midden in de stad en mijn school zat nu een heel eind weg, maar ik had mijn fiets en daarmee kon ik alle kanten op. Sir James mocht met mij mee verhuizen naar dat kamertje en we waren een hecht team. Als ik voor school van huis was, wilde hem altijd wel iemand uitlaten en verder nam ik hem overal mee naartoe. Hij liep altijd los achter mijn fiets mee en hij volgde mij heel trouw. Hij was mijn steun en toeverlaat en vulde mijn kleine kamertje met gezelligheid en warmte.

Mijn oma betaalde zijn voer en alle andere kosten voor hem, want dat kon ik niet betalen. De komende jaren was ik namelijk muisarm.

*

Ik zocht kleine bijbaantjes om naast school wat geld bij elkaar te scharrelen. Ik wist dat ik van mijn ouders niets hoefde te verwachten en ik wilde ook niets van hen hebben. Dat zou mij alleen maar in een afhankelijkheidspositie brengen, realiseerde ik mij, en daar wilde ik juist ver van uit de buurt blijven. Maar de baantjes lagen niet voor het oprapen.

Als scholier had ik te maken met schooltijden en dat maakte mijn zoektocht direct al een stuk ingewikkelder. Ook waren scholieren niet heel gewild voor vaste bijbaantjes.

Ik deed een keer een poging om in de horeca te werken, maar de enige kroeg die mij een kans wilde geven bleek achteraf geen goede keuze. Het was een buurtkroeg waar vooral een aantal stamgasten al vroeg in de middag dronken aan de bar hingen.

De sterke geur van drank en sigaretten sloeg mij al bij binnenkomst tegemoet en de mannen wilden steeds dat ik met ze meedronk. “Nur einen Schnaps”, riepen ze dan, maar daar voelde ik niets voor.

Dat zorgde voor gedoe met de kroegenbaas, omdat het niet goed voor de omzet was. Nadat een aantal mannen vond dat ze ook nog aan mij mochten zitten tijdens mijn werk, heb ik er al na korte tijd weer ontslag genomen. Ik weet nog dat ik me er vies van voelde, alsof ik mijn ziel zou moeten verkopen, en dat was ik niet bereid om te doen.

*

Op school verspreidde het nieuws over mijn vertrek uit het ouderlijk huis zich snel en het zorgde voor grote verdeeldheid. Sommige medeleerlingen vonden het stoer dat ik deze stap had durven nemen; bij anderen wist ik dat met name de ouders mij haast een beetje bedreigend vonden. Ik werd ineens ‘slechte omgang’ voor hun kind, terwijl ze mij niet eens kenden.

De ouders die mij wel kenden, waren juist weer heel aardig en steunden mij door bijvoorbeeld brood, fruit of groenten voor mij mee te geven. Ook sommige docenten namen voedsel voor mij mee of hielpen mij met bepaalde regeldingen.

Ook binnen het docententeam was er die verdeeldheid. Terwijl ik nog steeds hard werkte, had ik voor sommige docenten ineens een soort label gekregen. Ze lieten me voelen dat ik geen kans verdiende en dat voelde erg onmachtig. Zo had ik een docente Engels die bij het uitdelen van de examens tegen mij zei: “Je hoeft niet eens te beginnen, ik ga ervoor zorgen dat je toch niet gaat slagen” en ze maakte het waar ook.

Dit onmachtige gevoel zorgde ervoor dat ik de Engelse taal, waar ik eigenlijk een liefde voor had, ineens niet meer durfde aan te gaan. Dat heeft mij nog vele jaren achtervolgd. Deze docente liet mij namelijk weten dat ik volstrekt ongevoelig was voor taal en dat ik niet het vermogen had om een vreemde taal te leren.

Ze zou eens moeten weten, denk ik nu weleens. Want haar oordeel bleek niet te kloppen.

*

Een andere keer solliciteerde ik op een mooie oppasbaan. Destijds werd er nog geadverteerd in krantjes en zo ging ik op gesprek in een mooi en duur huis op een toplocatie in de stad. Om in de woning te kunnen komen, moest ik met een privélift gaan, die in de woonkamer van een grote loftwoning uitkwam. Ik had hoop op een goedbetaald oppasbaantje, want deze mensen waren vast niet arm.

Toen ik uitstapte, zag ik alleen een man in dure kleren in een vrij kale en moderne woonkamer. In een zijkamer zat op een bed een jongetje van ongeveer 8 jaar oud, tv te kijken. Hij keek niet op en maakte geen contact met mij. Er was nergens speelgoed te zien en ook geen vrouw. In de hele woning miste een vorm van ‘leven’.

*

De man vroeg mij om naast hem te gaan zitten en begon mij vragen te stellen en in het kort iets over de jongen te vertellen, wat ik niet goed kon plaatsen. Al snel ging het gesprek een hele andere kant op en vroeg hij mij of ik ook iets anders voor hem wilde doen.

Ik was nog zo naïef dat ik de vraag eerst niet begreep. Heel even dacht ik dat hij mij zou vragen of ik er ook schoon wilde maken. Maar dat was niet wat hij bedoelde, want hij schoof steeds meer mijn kant op.

Ik weet nog hoe ik vanuit een soort instinct helemaal ging verstijven en mijn hersenen naarstig op zoek gingen naar een ontsnappingsroute. Terwijl hij begon mij aan te raken, realiseerde ik mij dat de enige weg naar buiten de lift was. Dat was niet best. Ik moest zien de lift veilig te bereiken en tot die tijd moest ik deze man niet ‘boos’ maken.

*

Ik herinner mij de walging die ik voelde. Ik moest toelaten dat hij mij bleef betasten en ondertussen heel aardig laten weten dat ik nu toch echt weer verder moest. Instinctief koos ik voor ‘pleasend gedrag’ om mezelf veilig te houden. Ik realiseerde mij dat ik anders geen enkele kans maakte om hieraan te kunnen ontsnappen. De jongen keek soms even onze kant op, maar zijn blik was op een bepaalde manier dof.

Uiteindelijk is het mij gelukt om de loft via de lift te verlaten, terwijl de man vloekend bij de sluitende deuren stond en riep dat het mijn eigen schuld was als ik dat vele geld niet wilde verdienen.

In de lift trilde ik helemaal en werd ik misselijk en vervolgens rende ik de straat op en fietste heel hard en huilend naar huis om daar eerst lang en uitgebreid te douchen. Ik voelde mij zo ontzettend overgeleverd en vies en dom en alleen.

Ik heb dit lange tijd aan niemand verteld, omdat ik mij ontzettend schaamde. Het voelde alsof ik de hele gebeurtenis heel goed moest verbergen, voor mijn eigen veiligheid. Pas vele, vele jaren later vertrouwde ik het een vriendin toe, die iets soortgelijks was overkomen.

*

Terwijl ik er persoonlijk nog goed vanaf ben gekomen, begrijp ik sindsdien wel wat de reden is dat vrouwen vaak geen aangifte doen na seksueel grensoverschrijdend gedrag of misbruik. Ik begrijp sindsdien ook waarom vrouwen er soms pas jaren later over beginnen te spreken.

In mijn geval kwam het niet eens in mij op om aangifte te doen, omdat het in die tijd nog veel minder bespreekbaar werd gemaakt. Ik had er nog nooit iemand over gehoord en ik wist niet eens dat aangifte doen een optie was. Ik vrees ook dat er in die tijd nog minder goed mee om werd gegaan en zelfs in de huidige tijd is het nog voor veel vrouwen een erg moeilijke stap om te nemen.

Het was geen keuze om hier niet over te praten, maar meer een soort instinct. Een overlevingsmechanisme. Zodanig bedreigend voelde het.

*

Deze ervaring zorgde ervoor dat ik daarna veel baantjes bij voorbaat heb laten liggen, uit angst weer ‘iets over het hoofd te zien’. De baantjes die bleven, leverden net genoeg geld op om de huur te kunnen betalen en een klein beetje over te houden. Maar veel was het niet.

Ik had bijna geen geld om eten te kunnen kopen, had geen telefoon (al helemaal geen mobiele telefoon, want die bestonden toen nog niet), geen geld voor kleren of andere extraatjes. Soms schoof mijn moeder mij wat extra geld toe. Stiekem. Daar mocht mijn vader niets van weten. Dan kon ik een keer een broek in een secondhandwinkel kopen of wat pasta met tomatensaus bij de Aldi. Maar de meeste dingen sprokkelde ik op andere manieren bij elkaar, met dank aan mijn netwerk. Meubels haalde ik van straat op het moment dat er grofvuil werd buitengezet.

*

Desondanks heb ik nooit spijt gehad van mijn keuze om mijn ouderlijk huis te verlaten. Ik zou het zo overdoen. Het was de meest gezonde keuze die ik op dat moment heb kunnen nemen en ik heb er ontzettend veel van geleerd.

Ik heb geleerd dat ik alles aan kan, hoe moeilijk ook. Ik heb geleerd met ‘heel weinig’ tevreden en gelukkig te zijn. Ik heb geleerd om op mezelf te vertrouwen. Ik heb (h)echte vriendschappen mogen ervaren. Ik heb plezier gemaakt zonder voorwaarden en kon lachen, zonder bang te zijn. En ik heb geleerd wat dankbaarheid is.

Ik heb ook geleerd dat alles een prijs heeft, maar deze prijs was ik bereid om te betalen.

*

Twee jaar lang heb ik op die manier geleefd en overleefd. Het was hard werken, maar het was ook een soort thuiskomen bij mezelf. Twee jaar ging ik nog naar school en ik heb daar mooie en minder mooie herinneringen aan.

Ik had in deze twee jaar ook een vriend, maar die relatie ging uiteindelijk toch uit. Daar zit nog weer een geheel eigen verhaal achter, maar dat laat ik hier voor nu achterwege. Twee maanden nadat die relatie uit was, leerde ik uiteindelijk een andere jongen kennen. Hij zou later de vader van mijn oudste twee kinderen, van Lena en Yako, worden.

0 Comments

Submit a Comment

Your email address will not be published. Required fields are marked *