In de zomer van 2024 komt mijn tante bij me langs. Zij is op doorreis en op de terugweg na een weekje vakantie op Texel, waar zij samen met mijn nichtje was. Het nichtje dat Oliver en mij in 1998 bij elkaar bracht.
Het is fijn om beiden weer eens in het echt te zien en niet alleen maar met elkaar te appen. We praten bij en ze vragen uiteraard naar Luca en hoe het nu met haar gaat. Ik vertel en onder het vertellen ben ik nog snel emotioneel. Het gaat weliswaar alweer een stuk beter en er is weer zoiets als normaliteit, maar het is desondanks een hele andere ‘normaliteit’. Eentje die vanaf nu kwetsbaarder voelt. In oktober krijgt Luca haar volgende MRI-scan en dan zal het toch ook weer spannend worden. Mijn tante en mijn nichtje knikken bevestigend.
“Het was trouwens heel goed dat jij papa destijds niet had gebeld en dat ik dat eerst voor je deed”, zegt mijn tante ineens. Ik kijk haar vragend aan.
“Hij maakte natuurlijk weer zo’n stomme opmerking toen ik belde. Misschien was hij gewoon jaloers dat ik wel op de hoogte was en zij nog van niets wisten”, voegt ze er in gedachten aan toe.
“Oh ja, wat zei hij dan?” vraag ik haar. Ik merk dat ik mij alweer schrap zet.
“Hij zei over Luca: ‘Moest zij zo nodig weer zo’n ingewikkelde ziekte kiezen’?” Dat was het dan. Verder vroeg hij niets en was hij alleen maar stil. Mama heeft mij dan later teruggebeld en zij vroeg wel dingen. Zij was van slag.” Ik val stil en schud alleen maar mijn hoofd. “Wat is het toch ook voor een vreselijk ingewikkelde hork”, voegt mijn tante er nog aan toe.
*
Ik voel me opgelucht en verdrietig tegelijk. Opgelucht, omdat ik ervoor koos om mijn ouders niet zelf te bellen. Dat ik mijn intuïtie heb vertrouwd en mezelf daardoor heb kunnen beschermen – voor deze keer. Maar het raakt me nog steeds.
Ik voel ook een soort onverschilligheid of resignatie. Ik ben niet langer bereid om mijn kostbare energie aan deze man te verspillen. Hij zoekt het maar uit. Later zou ik tegen een vriendin zeggen: “Straks heb ik mijn hele leven verspild aan hopen dat er iets gaat veranderen. Ik wil dit niet langer. Het is klaar.”
*
Ik kijk mijn tante aan en voel nu ook boosheid opkomen. Wat is dat ook weer voor een rottige opmerking en dat voor de zoveelste keer.
Ik denk terug aan de geboorte van Lena, van Yako en later van Luca. Geen enkele keer heeft hij op deze bijzondere momenten iets liefdevols gezegd. Bij Lena niet, bij Yako niet en bij Luca niet.
Toen Luca geboren werd, belden we vanuit het ziekenhuis en net als bij Yako was de enige opmerking die hij maakte: “Jeetje, weer zo’n stomme naam.”
*
Ik kan maar niet wennen aan dit soort pijnlijke opmerkingen. Ze doen pijn, keer op keer.
Met de geboorte van Luca kregen mijn ouders gevoelsmatig nog een herkansing. Een laatste mogelijkheid om betrokkenheid en interesse te tonen in mij, in ons, in een kleinkind. Ze hebben deze kans niet gegrepen.
*
Dat Luca er nog zou komen, was geen vanzelfsprekendheid. Toen ik en Oliver elkaar leerden kennen, had ik immers al twee kinderen van 8 en 10 jaar oud en wij moesten elkaar eerst nog leren kennen en kijken of onze relatie wel een toekomst zou hebben.
De zwangerschap van Yako en alle complicaties daaromheen, het lange herstel erna, maakten dat ik een volgende zwangerschap eigenlijk niet meer aandurfde. Daarnaast was ik jong moeder geworden. Dat vond ik helemaal goed, maar in mijn hoofd zou ik dan dus ook nog jong zijn op het moment dat de kinderen het huis uit zouden gaan. Dan kon ik de dingen doen die ik in mijn jonge jaren niet deed, omdat ik al verantwoordelijkheid droeg. Misschien kwam er dan nog tijd om nog een keer te reizen, wat dus iets anders is dan ‘op vakantie gaan’.
*
Oliver wist en begreep dat. We zouden ook zonder gemeenschappelijk kind tevreden kunnen zijn, zei hij, en ik was daar blij om. Hij wilde dan wel graag – een hond. Natuurlijk was ik daar makkelijk van te overtuigen.
*
Zora, de hond die na het overlijden van Zaff in het leven van mijn partner, de kinderen en mij kwam, was met de scheiding uiteindelijk met mijn partner meegegaan. Eerst wilden we ook de hond in een soort co-ouderschap tussen onze huizen heen en weer laten gaan, maar dat bleek om diverse redenen uiteindelijk niet praktisch en handig te zijn voor Zora zelf.
Ik was door mijn studie en het werk vaker van huis en Zora was een voormalig asielhond. Ze had juist baat bij vastigheid. Daarnaast was zij door haar verleden, niet geheel zonder gebruiksaanwijzing en luisterde in haar jonge jaren beter naar mannen dan naar vrouwen. We besloten daarom om haar een vast woonadres bij mijn partner te geven, die maar een paar straten verderop woonde.
*
Regelmatig zat zij wel ineens bij mij voor de voordeur, omdat ze weer eens ontsnapt was en dan bij mij kwam schuilen. Dat was wel aandoenlijk en ook grappig. We vonden elkaar nog steeds lief en leuk. Ook logeerde zij zo nu en dan bij mij.
*
Na een jaar LAT-relatie met Oliver kwam hij uiteindelijk bij ons in Nederland wonen. Een halfjaar later gingen we samen op zoek naar een pup. Op die manier zouden we toch een extra ziel in ons leven welkom heten, samen opvoeden en door het leven heen begeleiden.
Het werd Julius, de liefste en zachtaardigste hond ooit. Hij wilde niets liever dan ‘het goed doen’ en had geen cel in zijn lijf die ooit iets anders dan liefde zocht en wilde geven. Hij had maar twee minpuntjes: hij liet scheetjes en hij was soms wat te onderdanig naar andere honden toe. Daardoor werd hij helaas vaker in de nek gezeten door andere honden en dat maakte hem angstig. In die tijd werden we daar op de hondenschool nog onvoldoende in geholpen. De tips die we daar kregen, werkten juist averechts. Zij kozen voor ‘exposure’, maar dat was vooral ‘andere honden ongeremd op hem af laten stevenen’, met als resultaat dat zijn angst alleen maar groeide en hij niet leerde dat hij bij ons veilig was en andere honden ook prima konden zijn.
Nu, 25 jaar later, zou ik daar heel anders mee omgaan, maar destijds wisten we niet beter. Dat is wat ‘ervaring en groeiende kennis’ ons uiteindelijk opleveren.
Iedereen was gek op Julius en 13 jaar lang maakte hij deel uit van ons gezin.
*
Terwijl ik Oliver nooit meer over een kinderwens hoorde praten, zag ik dat hij baby’s heel leuk vond. Hij kreeg iedere keer hartjesogen, als hij de kans kreeg om binnen ons netwerk een baby vast te houden. Dat merkte ik wel op en het ontroerde me ook.
3,5 jaar nadat we elkaar hadden gevonden, ons leven met elkaar hadden gedeeld en onze relatie steeds meer gevestigd was, gingen we uiteindelijk trouwen. Deze keer werd het wel een groot feest en was het geen ‘trouwen om hele pragmatische redenen’, maar omdat we daar echt voor kozen.
*
Tijdens onze trouwceremonie hielden Lena en Yako een speech en daarin spraken ze ook hun wens uit naar nog een broertje of zusje. Daarmee ging er ook in mij een knop om.
Desondanks was ik nog steeds huiverig, want nog zo een zwangerschap en bevalling als bij Yako zag ik niet zitten en het maakte me bang. We vroegen daarom om een adviesgesprek bij onze huisarts. Zij kon ons geen garanties geven, maar zag na al die jaren ook geen extra belemmering. “Het zal toch vooral een liefdeskeuze moeten worden voor nog een volgend kind”, gaf zij aan. Met deze woorden in mijn hoofd wilde ik ervoor gaan. Ik wilde deze keuze niet langer laten afhangen van mijn angsten.
*
Een klein jaar later, begin 2004, werd Luca geboren en voor het eerst maakte ik een hele ‘normale’ bevalling mee met persweeën en zonder verdere complicaties. Ook de tijd daarna was heel goed te doen. Luca was geen huilbaby en ik liep niet krom van de pijn. Daarnaast hadden we 24 uur per dag de leukste en betrouwbaarste oppassen aan huis die je maar kon bedenken: Luca’s grote zus en broer.
Dat scheelde enorm aan stress en regelgedoe, maar was vooral ontzettend mooi om mee te mogen maken. Ons gezin was daarmee compleet. Het gevolg was wel dat ik uiteindelijk 34 jaar achter elkaar in de actieve en opvoedende moederrol was.
*
Terwijl ik daar geen seconde spijt van had, was het wel een lange rit, want met 20 werd ik zwanger en toen ik 55 was, vertrok Luca voor een halfjaar naar Canada. Ik had voor het eerst weer een paar ‘kinderloze’ maanden en Oliver en ik waren voor het allereerst langere tijd met z’n tweeën. Dat hadden we eerder nog nooit meegemaakt.
*
Al met al was Luca vooral een hele welkome aanvulling in ons leven. Alleen de laatste ‘puberjaren’ zuchtte ik net wat vaker: “Waarom wilde ik dit ook alweer?”. Toen werd ik een beetje opvoedmoe. Of vooral conflictmoe. Vooral omdat daar in feite geen reden voor was, behalve dat het bij het losmaakproces hoorde.
Achteraf dachten we soms: of zou de tumor toen al een rol gespeeld hebben en soms invloed op haar gedrag hebben gehad? Maar dat antwoord zullen we nooit gaan krijgen.
De serie Oogappels heeft ons soms door deze fase heen gesleept. We waren niet alleen en de herkenning was een steun in de rug.
Deze ‘herkenning’ blijf ik mooi en zo waardevol vinden. Zowel privé als in mijn werk. Herkenning schept ruimte en verbondenheid en werkt bemoedigend en troostend. Je voelt je minder ‘gek’ of ‘een loser’ of ‘alleen’.
*
“Je hebt gewoon dikke pech met die vader van je”, zegt mijn tante, die mijn geraaktheid opmerkt. “Het ligt niet aan jou. Dat heb ik al vaker tegen jou gezegd, maar ik herhaal het hierbij nogmaals: het is niet jouw schuld.” Ze kijkt mij indringend aan. Dit zei ze inderdaad al vaker tegen mij en ik hoor haar. Ik hoor ook dat deze ‘schuld’ ook om iets anders gaat. Om mijn broertje.
Ik ben niet schuldig, maar ik ervaar deze schuld wel. Ik weet inmiddels dat dat niet raar is. Het is een natuurlijke reactie die je niet weg kunt beredeneren. Er bestaat zelfs een woord voor: ‘survivors guilt’.
Dit gebeurt wanneer mensen zich schuldig voelen nadat ze een tragische gebeurtenis of een traumatische gebeurtenis hebben overleefd waarbij anderen om het leven kwamen.
*
Terwijl ‘mijn hoofd’ dit weet, voelt het toch anders. In deze tijd, met alle gebeurtenissen van dit voorjaar nog vers in het geheugen, kan ik mij hier moeilijker tegen verweren. Ik kan er niets aan doen, maar ik voel me weer vooral ‘niet de zoon’ die zo gewenst was.
Mijn tante knikt. Ik weet dat ze mij begrijpt.
Vlak na de geboorte van Karsten beviel zij van mijn neefje. Dat is voor haar ook altijd ingewikkeld geweest – genieten van haar kind in het bijzijn van mijn ouders riep ook in haar een soort ongemak en ambivalente gevoelens op. Misschien zelfs een gevoel van onterechte ‘schuld’.
Ik vind het zo mooi dat je op je intuïtie durft te vertrouwen.
Want als ik voor mezelf spreek, óf ik kom er niet bij óf ik durf er niet op te vertrouwen.
Ik voel het over het algemeen heel sterk. Het is dan een gevoel waar ik niet omheen kan. Dat vind en vond ik lang niet altijd ‘leuk’ of makkelijk en dan probeerde ik het in het verleden te negeren of juist heel erg vanuit mijn verstand argumenten te verzamelen waar ik vervolgens naar ging handelen. Maar inmiddels weet ik; op momenten dat mijn intuïtie zo overduidelijk van zich laat horen, klopt het eigenlijk altijd. Ik durf daar steeds meer op te vertrouwen.
Het ging met vallen en opstaan, maar met de tijd leerde ik steeds beter het verschil te voelen tussen angst, vooroordeel en intuïtie. Soms heb ik het ook vervloekt, want dan wilde ik helemaal niet dat mijn gevoel zou gaan kloppen. Want het betekende soms ook dat ik dan iets moest doen of laten, waar ik eigenlijk liever niet aan wilde of dat ik te maken kreeg met een realiteit waar ik helemaal niet op zat te wachten.
Het heeft mooie, maar ook ingewikkelde kanten. Het kan wel een ‘gidsfunctie’ hebben.