Na 16 dagen in het ziekenhuis mag Luca het aanstaande weekend voor een nachtje naar huis. Niet naar haar eigen huis, maar naar ons. Deze keer durven we het wel aan, maar spannend is het nog steeds.
Het is inmiddels volop lente en er is mooi weer voorspeld. Dat zal haar ongetwijfeld goed doen. Op vrijdag ontvangt ze ook bericht dat ze vanaf maandag kan verhuizen naar het revalidatiecentrum. Alleen de uitslag van het pathologische onderzoek laat nog steeds op zich wachten en inmiddels wordt ons ook verteld dat dit nog meer tijd nodig heeft. Het is wel balen, want het voelt verlammend om niet te weten waar we aan toe zijn.
Pas later in dit proces besef ik dat het ‘niet weten’ vanaf nu blijft. Dat dit nooit meer weggaat. In deze fase denk ik nog dat we na het horen van een positieve uitslag, in dit geval een ‘goedaardige tumor’, verlost zullen zijn van deze onderliggende angst, maar dat blijkt een misvatting te zijn.
Er is namelijk een zin die ik niet meer ‘ongehoord’ kan maken – en dat is de zin: ook een goedaardige tumor kan natuurlijk veel kwaad en altijd ook eens veranderen in een kwaadaardige tumor.
*
Vrijdag heeft Luca achter elkaar een aantal vrienden op bezoek en ook ons wil ze aan het einde van de middag nog zien. Later op de dag is ze vaak moe en ook wat emotioneler dan overdag. Met mij gaat het gesprek dan vaak over haar zorgen en angsten; met papa bespreekt ze vooral de regeldingen en praktische zaken en bij haar vrienden zoekt ze met name afleiding.
Zaterdagochtend mogen we haar om 10:00 komen ophalen en zondag moet ze dan om 18:00 terug zijn in het ziekenhuis.
*
Op weg naar het ziekenhuis merk ik dat ik zelf ook emotioneel ben. Toen ik hier 16 dagen geleden met haar had afgesproken, zag onze wereld er nog heel anders uit. Luca was op de fiets gekomen en ik met de auto, en we hadden elkaar in de hal ontmoet voor de afspraak bij de oogarts. Toen wisten we nog niet wat er allemaal op ons af zou komen.
*
Luca had een grote tas met vieze kleren bij zich, die ik voor haar zou wassen. Al een jaar deed ik dat voor haar, want in haar studio had zij geen ruimte voor een eigen wasmachine. Daarnaast zagen we haar op die manier nog elke week, in ieder geval eventjes. Dat was ook gezellig.
Die tas sleepten we met ons mee en ik weet nog dat ik, op weg van de oogarts naar de spoedafdeling, een snelle tussenstop deed om die enorme en zware tas snel naar de auto te brengen. Wij hadden natuurlijk al door dat er meer aan de hand was en dat Luca voorlopig niet meer naar huis zou gaan. Mijn benen trilden en mijn ademhaling ging snel, toen ik gehaast de snelste route naar de auto en terug nam. Iedereen leek te langzaam te lopen en ik moest hard mijn best doen om mensen niet geïrriteerd aan de kant te duwen. Een enorme golf angst en adrenaline gutste door mijn lijf heen. Ik werd er haast een beetje duizelig van en nam mijn omgeving nog maar heel selectief waar. Alsof je de wereld om je heen door een soort vertragende filter ziet, terwijl je eigen leven in een soort extra versnelling terechtkomt.
*
En nu gaan we Luca ophalen. Het leven van 16 dagen geleden lijkt een eeuwigheid terug te liggen. Alles voelt nog steeds heel onwerkelijk. Alsof we naar een film aan het kijken zijn. Maar deze film is echt, gaat over ons en er is geen ontkomen aan.
Oliver hoort mij naast zich in de auto zuchten, en zijn hand zoekt de mijne, zoals het mij al vele jaren zo vertrouwd is.
*
Luca is zenuwachtig, maar kijkt er ook naar uit om eindelijk de muren van het ziekenhuis voor 1,5 dag te mogen verruilen voor het ‘normale leven’. Ze heeft een paar vrienden gevraagd om later in de middag bij ons langs te komen en dan eten we samen hamburgers. Daar heeft Luca al heel veel zin in.
Al snel wordt ze ermee geconfronteerd hoe pittig dit uitstapje nog voor haar is. We rijden haar in een rolstoel naar de hoofdingang en daar gaat ze samen met mij voor de deur op een bank zitten wachten. Oliver haalt de auto. Alleen dat is al veel voor haar. De zon, de buitenlucht, de mensen – al die indrukken zijn tegelijkertijd fijn en overweldigend. Ik herken dat gevoel uit de tijd dat ik na de bevalling van Yako naar huis mocht.
*
2 jaar na Lena’s geboorte was ik weer in verwachting. Zelf was ik uiteindelijk na de dood van mijn broertje als enig kind opgegroeid. Ik heb hem altijd gemist. Wat leek het mij fijn om iemand naast me te weten, iemand met wie ik ervaringen kon delen, kon spelen en aan wie ik niet uit hoefde te leggen hoe het bij mij thuis was. Niet ‘de enige’ hoeven zijn, leek me een verademing.
Vandaar dat ik er nooit over twijfelde of er nog een kind zou komen. Mijn dochter gunde ik een broertje of zusje om samen herinneringen mee te kunnen maken en een kindertijd te kunnen delen.
De eerste maanden verliep de zwangerschap prima. Op wat ochtendmisselijkheid na, had ik nergens last van. Vanaf maand vijf veranderde dat en kreeg ik hevige pijn in mijn bekken. Die pijn werd zo erg dat ik al vrij snel niet meer kon lopen en het soms bijna uitschreeuwde als ik toch naar de WC moest gaan.
Ik bleek een hevige bekkeninstabiliteit te hebben en mocht 3 maanden lang niet meer lopen, omdat mijn bekkenring dreigde uit elkaar te barsten door het gewicht van het kindje. Dat wilden de artsen voorkomen, want dan zou ik na de bevalling nog maanden in een gipsbed moeten liggen. Een nachtmerrie voor mij. Ik had immers al een tweejarige dochter waar ik door de pijn nu al niet meer goed voor kon zorgen.
Dag in dag uit zat ik in de woonkamer in een ligstoel de tijd te doden. We kregen een hulp die overdag kwam en de zorg voor het huishouden, de verzorging van de honden en van Lena op zich nam. In de avonden was mijn partner er. Het gevoel om mijn autonomie kwijt te zijn, vond ik vreselijk.
Voor alles moest ik om hulp vragen, omdat ik geen stap kon zetten zonder vervolgens over te geven van de pijn. Ik wilde niets liever dan er helemaal voor mijn lieve dochter kunnen zijn, maar het lukte mij gewoon niet. Ik voelde me een vreselijk ‘nutteloze’ moeder.
Ik bewoog me de komende maanden heen en weer tussen ‘het dapper over me heen laten komen’ en ‘me onmachtig en verdrietig voelen’ en ‘een last’. Niet omdat anderen mij dat gevoel gaven. Dat gebeurde gewoon in mezelf.
*
Na 6 maanden zwangerschap werd door de artsen besloten dat een normale bevalling niet mogelijk zou zijn, zonder dat ik gevaar liep een diastase van de symfyse op te lopen. De afstand van het schaambeen was nu al veel groter dan had gemogen. Er werd besloten om een keizersnee te plannen, zodra deze voor het kindje veilig genoeg was. Ik werd 6 weken later opgenomen in het ziekenhuis en toen ik net 8 maanden zwanger was, werd de keizersnee ingepland. De longen van de baby zouden het nu wel aankunnen.
Ook in het ziekenhuis kon ik niet lopen en ging ik kapot van de pijn. Desondanks werd daar in het ziekenhuis vervelend over gedaan. Ik kreeg nog een laatste onderzoek door een mannelijke gynaecoloog en moest daarvoor op de beroemde stoel zien te komen. Ik had geen idee hoe mij dat moest lukken, maar daar hadden ze in de behandelkamer weinig geduld voor. Hardhandig werd ik door twee zusters en de gynaecoloog in de stoel gehesen om vervolgens een nog hardhandiger inwendig onderzoek te ondergaan. De tranen rolden over mijn wangen, maar ik moest me niet aanstellen.
Er werd niets uitgelegd en het voelde meer als wroeten in mijn lijf dan als ‘een onderzoek doen’. Ik voelde me ontzettend aan mijn lot overgelaten, alleen en machteloos. Angst- en pijnscheuten schoten door mijn lijf en een explosie van stresshormonen zorgde ervoor dat het zwart werd voor mijn ogen. Niemand gaf daar aandacht aan.
*
De volgende morgen werd ik al vroeg voorbereid op de operatie, die onder narcose zou plaatsvinden. Ik werd door een zuster geschoren en ik kreeg iets om mijn darm te legen. Dat was nodig voor de operatie. Met dat spul in mijn lijf moest ik even later heel hard naar de wc, maar omdat ik niet kon lopen, lukte het mij niet om daar te komen. Ik smeekte de zuster om hulp, maar zij vond dat ik dat maar alleen moest kunnen; zij had nog andere dingen te doen. Ik deed een poging om uit bed te komen, maar ik kon gewoon niet op mijn benen staan. Mijn darm liep leeg naast mijn bed en ik schaamde me enorm en moest huilen van de ellende.
De zuster kwam erbij, maar in plaats van mij te helpen, begon ze mij uit te schelden. “Verdorie, nu moet ik ook nog je troep opruimen. Wat een viezigheid, zeg. Denk je dat ik niets anders te doen heb?”
*
Ik durf te zeggen dat ik deze ervaring als traumatisch heb ervaren. Ik kon geen kant op. Ik voelde me al enorm kwetsbaar in deze fase van de zwangerschap en de dingen waar ik geen invloed op had. Ik was al gedwongen om mij over te geven en ook de zorg voor Lena grotendeels aan anderen over te dragen. En nu was hier op dat moment niemand die aan mijn kant stond.
Controleverlies is een kernaspect van traumatische ervaringen en gaat gepaard met een diep gevoel van machteloosheid, angst en de realisatie dat de wereld onvoorspelbaar en gevaarlijk is. Dit verlies van grip kan leiden tot extreme stress, herbelevingen en paniekaanvallen.
*
Om 8:50 werd Yako uiteindelijk geboren. Mij zelf lukte het de hele dag niet om wakker te worden uit de narcose. Heel soms kon ik eventjes mijn ogen openen om vervolgens weer weg te vallen. Dat maakte dat ik Yako de eerste dag helemaal niet kon zien. Ik voelde mij daar zeker nog een jaar lang doodongelukkig over. Het idee dat ik mijn kind niet in mijn armen heb kunnen houden, ging dwars in tegen mijn diepste gevoelens. Vooral omdat ik wist dat de eerste persoon die hem in handen had, de hardhandige gynaecoloog was geweest.
*
Yako moest eerst in een couveuse blijven, omdat hij nog wat problemen had met zijn start in dit leven. Hij kreeg een infectie, had koorts en zijn gewicht was te laag. Hij maakte de eerste dagen geen geluidjes en huilde niet. Ik zei op een gegeven moment tegen mijn schoonmoeder: “Wat ben ik blij als hij eindelijk begint te huilen en geluidjes gaat maken.” Deze zin gaf zij mij later nog vaak met een knipoog terug, op momenten dat ‘mijn drukke Yako’ weer eens niet tot rust kon komen en iedereen bezig hield.
*
Yako moest uiteindelijk twee weken langer in het ziekenhuis blijven dan ik. Ik kon weliswaar nog steeds niet lopen, maar ik mocht naar huis om daar verder te herstellen.
Ik herinner mij nog goed hoe ik daar stond naast de hoofdingang in de rolstoel, wachtend op de auto die mij naar huis zou brengen, mijn pasgeboren kind achterlatend. Ik was overweldigd door alles – de mensen, de frisse lucht, alle gebeurtenissen en alles wat nog komen ging en ongewis was.
Bij thuiskomst was ik tegelijkertijd opgelucht dat ik eindelijk weer veilig was, maar even later kreeg ik een eerste paniekaanval. Hij schoot als een hete golf door mijn lijf. Ik raakte overspoeld door een gevoel ‘overgeleverd te zijn’.
Gelukkig zou het bij deze ene paniekaanval blijven. Mijn stresssysteem reageerde nog wel op een andere manier.
In de daaropvolgende dagen werd ik heel erg ziek. Ik kreeg een hevige herpangina en had 2 weken lang hele hoge koorts. Ik kon niet goed eten en viel daardoor veel af. Ook mijn litteken van de operatie raakte geïnfecteerd en moest opnieuw geopend en gespoeld worden, wat heel pijnlijk was. Mijn lijf riep om hulp.
*
Terwijl ik met Luca nog steeds wacht op de auto, haalt dit stuk verleden mij in. Ik denk te weten hoe overweldigend dit voor Luca moet zijn. Ik realiseer mij ook dat haar verhaal haar verhaal is en dat ik alleen maar een glimp opvang van haar eigen beleving. Ik voel wel een ontzettende behoefte om haar te beschermen.
0 Comments