door Anja Kuhn

Hoofdstuk 24 – Afstand creëren

14 Jun 2026

De jaren 80 werden gekenmerkt door de angst voor kernwapens en de Koude Oorlog, maar ook voor ongelukken binnen de kerncentrales. In 1986 zou deze tweede angst terecht zijn.

26 april 1986 was de kernramp van Tsjernobyl. Het nieuws ging als een schokgolf door alle media. Het was een enorme ramp voor de regio zelf, met grote, langdurige en dodelijke gevolgen. Maar ook in Duitsland en heel Europa was men bang voor radioactieve regen en de desastreuze gevolgen die deze ramp zou hebben voor de gewassen in de grond en daarmee ook voor de gezondheid van eenieder.

*

Ik was al ruim 1,5 jaar uit huis en nog steeds ging ik naar school, had ik heel weinig geld en hengelde ik mezelf van dag tot dag. Ik was inmiddels verhuisd naar een ander studentenhuis, verder weg van het centrum, maar met een net wat grotere kamer en maar een enkele andere medebewoner. Dat gaf rust. Ik had ondertussen mijn draai gevonden, ook al was de situatie nog steeds niet makkelijk. Maar ik had het gered en dat gaf mij vertrouwen. Zelfvertrouwen.

Mijn vader zag ik nooit meer, want hij negeerde mij nog steeds volledig. Voor hem ‘bestond’ ik niet meer. Mijn moeder zag ik zelden en nog steeds vooral ‘stiekem’. Soms wist mijn vader dat we elkaar zagen, maar mijn moeder beperkte de keren dat hij ervan wist tot een minimum. Dat bleef pijnlijk en pas veel later besefte ik waarom ze dat deed. Deels ging het om de jaloezie die ik in hem opriep.

Ik voelde me gelukkig verder stabiel en ik had een goed netwerk van vrienden om mij heen. Dat was heel waardevol voor mij.

De geldzorgen vond ik soms ingewikkeld, maar ik raakte er ook aan gewend. Op school had ik nog steeds docenten die heel aardig waren en mij steunden en anderen die mij tegenwerkten, maar ik lag daar niet meer van wakker. Het leven ging door en er kwam altijd weer een oplossing voor elk probleem.

De vrijheid die ik verder voelde, omdat ik niet meer bang was voor de onvoorspelbaarheid van mijn vader, was het dubbel en dwars waard. Ik kon genieten van mijn leven, lachen en plezier ervaren ondanks alle moeilijke omstandigheden. Ik voelde me gedragen door lieve mensen die mij een goed hart toedroegen.

*

Eind maart 1986 leerde ik een jongen kennen die later de vader van Lena en nog iets later ook de vader van Yako zou worden. Ook hij woonde in een studentenhuis aan de andere kant van de stad. Ik kwam daar af en toe over de vloer, omdat ik bevriend was met een medebewoner. Die medebewoner kende ik via de CVJM, waar ik nog steeds actief was en inmiddels als begeleider meeging tijdens de grote zomerkampen. De kampen waar ik als kind zelf mee was gegaan.

Zij woonden met z’n vieren in een typisch ‘jongensstudentenhuis’. Het was er gezellig, maar ook ontzettend vies, en het kon je zomaar gebeuren dat je op de gang onverwachts een blote man tegen het lijf liep.

Iedereen was er altijd welkom, mocht direct aanschuiven om mee te eten en de stemming was relaxed, met ruimte voor humor en gezelligheid en weinig regels en gedoe.

De jongen die mijn aandacht trok, was kunstenaar. Alles aan hem was vooral heel erg anders dan ik het vanuit huis gewend was. Hij had op geen enkele manier last van zijn ego, integendeel. Hij leek heel erg te rusten in zichzelf en koos een route die afweek van ‘dat wat hoort’. Hij had geen belang bij dingen als ‘carrière maken’ of ‘status’ in welke vorm dan ook. Juist dat trok mij ontzettend aan.

Later dacht ik nog vaker dat ik hem vooral daarop had gekozen. Ik had hem deels nodig om mij nog verder los te weken uit de klauwen van mijn vader. Ik moest de extremen naast elkaar leggen om uiteindelijk ergens in het midden uit te kunnen komen en mezelf te vinden. Daarvoor ging ik helemaal de wereld van deze jongen induiken en ik keek mijn ogen uit.

Ik werd verliefd en we kregen verkering. Hij werkte bij een pottenbakker midden in het oude centrum van mijn thuisstad, maar hij was nog niet helemaal geland in de grote stad. Hij voelde zich meer aangetrokken door de rust van het platteland, iets dat ik helemaal niet kende.

We waren samen vaak te vinden op demonstraties voor de vrede en tegen kernwapens en toen kwam de ramp van Tsjernobyl.

*

Op een dag kwam mijn vriend bij me en zei: “Iets beters dan de dood, vinden we overal.” En hij stelde voor om de wereld in te gaan trekken en te ontdekken. Niet wachten, gewoon gaan.

De afgelopen jaren was ik op zoek naar mezelf en met deze ramp boven ons hoofd stak de vraag naar ‘de zin van het leven’ nog meer de kop op. We waren jong en wilden ons in het leven storten. We wilden zorgeloos zijn, ontdekken, plannen maken en niet vol angsten zijn. Omdat de machtige mannen in de wereld gevaarlijke spelletjes moesten spelen. Mannen die hun eigen belangen belangrijker vonden dan die van de overige bewoners op deze aardbol.

Ik had niets te verliezen, was voor niemand anders dan mezelf verantwoordelijk en zei ‘ja’. Ik moest nog wel dit laatste schooljaar afmaken, maar dat was al over een paar weken. Dat gaf ons nog net even de tijd om plannen te maken.

*

Mijn vriend wist dat ik geen geld had om aan deze reis te kunnen besteden, maar dat vond hij geen probleem. Hij wilde toch gaan en dan zou hij bijna dezelfde kosten maken. Dat beetje eten wat ik nodig had, maakte voor hem geen verschil.

Hij had zelf een huis gekregen van zijn opa en dat was verhuurd. Van die inkomsten zouden we kunnen rondkomen. Ook had hij een beetje spaargeld en daarvan kocht hij een oude VW-bus. Het was een oud, rond busje met het mooie geluid van een kloppende motor. Her en der was hij wat roestig, en met wat extra gebruiksaanwijzingen, maar voor ons werd hij ons ‘thuis’. We noemden hem ‘Bulli’, verbouwden hem van binnen tot een simpel maar sfeervol campertje, en verfden hem aan de buitenkant tot een kunstwerk. Hij viel op en we waren trots op hem.

In die tijd bestond het fenomeen ‘camper’ nog niet zoals het tegenwoordig bestaat. Ze waren er wel, maar veel minder in aantallen dan nu en vooral ook veel kleiner en minder luxe. Het camperleven was nog geen hype, maar een uitzondering.

*

Ik rondde het schooljaar af en ondertussen waren we bijna dagelijks bij onze camper te vinden. We verbouwden hem gewoon op een parkeerplaats onder een viaduct midden in de stad. Toen de verbouwing klaar was, moesten we hem nog laten keuren en dat was een ‘typisch Duitse’ belevenis.

Nadat de camper door de garage goedgekeurd was, moesten we nog de juiste papieren aanvragen. Daarvoor ging je naar de TÜV-Behörde. Vanaf 8 uur ’s morgens kon je dan in de rij staan voor een loket. Achter het loket zat een knorrige ambtenaar die de hele dag niets anders deed dan de papieren goed- of afkeuren. Je kon daarvoor geen afspraak plannen. De enige manier was om achter in de rij aan te sluiten en te hopen dat het ging lukken om voor 12:00 aan de beurt te zijn.

Ik weet nog dat ik de eerste keer al om 7:30 aanwezig was, maar toch al een enorme rij wachtenden voor me had staan. Om 11:52 was er nog 1 andere wachtende voor mij en die werd geholpen. Dat duurde tot 12:06. Daarna ging gewoon het rolluik omlaag en mocht ik (en iedereen die nog achter mij stond in de rij) zonder de nodige stempel of de papieren weer vertrekken om het een andere keer opnieuw te proberen.

Dit soort Duitse mentaliteit maakte onder andere dat ik Duitsland later niet tot mijn thuisland verkoos. Het gaf mij weer dat gevoel van onmacht, waar ik thuis ook al mee te maken had gehad. Weliswaar op een hele andere manier, maar toch maakte het mij iedere keer onrustig, omdat het iets raakte dat leek op willekeur, iets waar ik geen invloed op had. Een gevoel van onmacht zat diep in mij.

*

In juni zei ik mijn kamer op en deed ik bijna al mijn spullen weg. Ik nam alleen een paar kleren mee, mijn accordeon en een plant die me dierbaar was. Twee dozen met hele persoonlijke dingen en twee meubels mocht ik bij mijn tante stallen. Dat waren al mijn bezittingen.

We organiseerden nog een afscheidsfeest bij mijn vriend in het studentenhuis en dat werd een emotioneel feest. Ik keek ontzettend uit naar deze reis, maar ik vond het ook heel erg spannend.

We hadden geen doel, geen tijdslimiet, geen plannen. Ik had dus ook geen idee hoe lang we weg zouden blijven en of we überhaupt nog terug zouden komen. Mijn netwerk was het enige waar ik aan gehecht was en dat de afgelopen jaren echte waarde voor mij had. Het viel mij zwaar om al deze lieve mensen achter te laten. Deze prijs had ik te betalen, wilde ik dit avontuur aangaan.

*

Een dag voordat we vertrokken, reden we met onze Bulli nog langs het appartementje van mijn ouders en ik belde beneden aan. Ik wilde toch nog afscheid nemen. Mijn moeder kwam naar beneden en was blij om mij te zien, maar ook verdrietig. Het was een onzeker afscheid en in die tijd kon je enkel via de post contact houden. Dat duurde lang en we wisten ook nog niet of en hoe wij zelf brieven zouden kunnen ontvangen.

Vanuit mijn eigen rol als moeder nu, kan ik mij heel goed voorstellen hoe zwaar dat geweest moet zijn voor haar.

Mijn moeder vroeg mij daar beneden op de parkeerplaats om nog even te wachten en liep terug naar huis. Even later zag ik haar samen met mijn vader om de hoek komen.

Mijn vader bleef op een afstand staan, keek naar onze bus en daarna naar mij. We hadden even oogcontact. Zijn blik kwam rechtstreeks bij mij binnen. Ik zag weer die teleurstelling, afkeur, maar ook zoiets als verdriet? Ik zie de situatie nog steeds voor me. Met zijn strakblauwe ogen raakte hij letterlijk in een oogopslag al mijn pijn van de afgelopen jaren en er stroomde weer die intense eenzaamheid door me heen.

Hij zei niets. Mijn moeder legde uit: “Anja is hier nog even om afscheid te nemen. Ze gaan nu vertrekken en op reis en het is onduidelijk wanneer ze terugkomt.” Hij keek nog een keer mijn kant op en ik hoorde alleen een ‘Hmm..’. Zijn blik bleef strak.

Ik omhelsde mijn moeder, maar zag aan de lichaamstaal van mijn vader dat ik niet zijn kant op hoefde te komen. Ik stapte in de bus en we reden weg.

Een keer om de hoek moest ik heel hard huilen, maar wist ik ook dat ik deze reis moest doen. Ik moest afstand creëren. Nog meer afstand.

*

Zonder dat ik het in deze levensfase doorhad, koos ik instinctief de route van afstand nemen. Mijn systeem was op zoek naar heling nadat ik jaren in een onveilige thuissituatie had geleefd, of beter gezegd: overleefd.

In een eerste stap ging ik uit huis, onder allesbehalve ideale randvoorwaarden, maar ik wist dat het desondanks de beste optie was die ik op dat moment had.

De jaren die volgden waren pittig en tegelijkertijd nodig om eerste stappen richting autonomie te zetten. Desondanks zat ik ook nog steeds verstrikt in oude structuren en systemen.

Ik voelde me vaak moe. Een vermoeidheid die ik haast mijn hele leven met mij mee zou blijven dragen. Soms, als ik weer eens in erg onrustig vaarwater terechtkom, noem ik dit gevoel ook een bepaalde ‘levensmoeheid’. Een intens gevoel, alsof ik dan ‘uitgevochten’ ben. Zonder dat ik suïcidale gedachten heb.

Mijn glas is over het algemeen altijd halfvol. Ik voel me positief, ervaar klein en groot geluk, dankbaarheid, levensvreugde, verbondenheid, kan oprecht lachen en humor ervaren en uitdragen – en toch hebben de uitdagingen in mijn leven mij ook regelmatig aan mijn grenzen gebracht.

Maar van daaruit ook altijd weer verder. Ze waren ook een soort motor naar meer verdieping in mijn leven.

Afstand creëren was voor mij in de jaren ’80 een poging om mijn buffers te vullen en ruimte te vinden. Het gaf mij de mogelijkheid om uit te kunnen zoomen. Zolang ik in de situatie bleef, kon ik geen kant op en ervoer ik onvoldoende ademruimte om nieuwe perspectieven te kunnen verkennen. Terwijl ik mezelf zocht, was ik mezelf ook nog steeds kwijt, of misschien ook nog nooit echt geweest? Dat antwoord kende ik nog niet.

*

Afstand nemen heeft een bewezen helend effect. Het geeft je stresssysteem de mogelijkheid om tot rust te komen. Een essentiële voorwaarde om je energiereserves weer op peil te brengen.

Hierdoor ontstaat er ruimte voor zelfreflectie, het ontdekken van nieuwe perspectieven en inzichten. Pas dan zal het überhaupt lukken om gezonde grenzen te kunnen ervaren en de juiste koers uit te zetten. Een onderwerp dat ook mijn cliënten herkennen die burn-out zijn geraakt.

Zolang je er nog middenin zit, kun je ‘het (vaak) niet zien’. Het is alsof je middenin een heel groot meer zwemt en geen idee hebt welke kant je op moet om de oever te kunnen bereiken. Je ziet alleen maar water en nog meer water.

Kijk je van bovenaf op diezelfde situatie, dan is het gemakkelijk om de richting te bepalen. Daarom is het vaak voor buitenstaanders en neutrale gesprekspartners zoveel makkelijker om ‘de weg te wijzen’. Zij kunnen uitzoomen en zwemmen niet middenin dat grote meer. Zij hebben afstand, letterlijk en figuurlijk.

0 Comments

Submit a Comment

Your email address will not be published. Required fields are marked *