Het Paasweekend is op veel vlakken een ‘op en neer’. Niet alleen wat Luca’s gezondheid betreft, maar ook de spanning tussen Oliver en mij maakt het ingewikkeld. Er is daardoor nog minder ruimte voor eigen herstel en het voelt ook nog eenzamer, voor ons beiden.
Luca voelt dat er iets tussen ons speelt, maar we doen beiden ons best om er niet al te veel over te vertellen. Het gaat hier immers om haar. We houden het bij het feit dat Oliver op dit moment ook snel overprikkeld raakt en er daarom de voorkeur aan geeft om alleen tijd met Luca door te brengen. Dan hoeft hij niet ook nog andere gesprekken in dezelfde ruimte te volgen. Dat is niet bedacht, maar waar.
We gaan vanaf nu daarom apart van elkaar bij Luca op bezoek. Op die manier heeft Oliver meer rust en ik hoef niet op te letten hoeveel aandacht naar mij gaat.
Verder gaan we elkaar, ook thuis, een beetje uit de weg, maar praten we nog wel met elkaar over alle belangrijke regeldingen en houden we ons een beetje op de vlakte. Dat is voor nu de beste weg om te bewandelen.
*
In de week na Pasen neemt Luca iedere dag nieuwe stappen naar herstel. Paasmaandag mag ze ‘s middags voor het eerst, na 10 dagen ziekenhuis en twee operaties verder, weer gaan douchen. Dat is een feestelijk moment en ze voelt zich eindelijk weer een beetje meer ‘mens worden’. Tegelijkertijd valt het haar ook tegen hoeveel energie haar dit kost.
Haar rondjes achter de rollator worden steeds ietsjes groter. In de rolstoel naar beneden gaan voor een snel kopje koffie in de foyer kost haar daarentegen nog steeds veel energie. Daarna is ze helemaal gevloerd en moet ze eerst uitrusten. Ze wordt er zelfs misselijk van.
Een andere keer wordt zij door een vriendin voor drie minuutjes eventjes met de rolstoel naar de binnentuin gebracht, maar ook dat voelt eerst nog te overweldigend. De frisse lucht, de buitengeluiden, de zon, een streling door de wind – het zijn nog te veel prikkels voor haar die ongefilterd bij haar binnenkomen. Al snel wil ze weer terug op haar kamer.
De volgende dag zit ze ineens wel met een brede glimlach op een hometrainer in de gang op de afdeling, een paar minuutjes op de kleinste weerstand te fietsen, en is ze trots en opgewekt. Ook kan ze heel hard lachen, omdat een vriendin en Oliver een beetje ‘Mister Bean-achtige’ kunstjes op de rollator voor haar op de gang maken.
*
Het bezoekschema wordt deze week verder uitgebreid en Luca is er klaar voor om ook een aantal andere vrienden te ontvangen, net als haar schoonzus, haar zwager en mijn vriendin, die haar bijpraat over haar eigen positieve ervaringen in het revalidatiecentrum een aantal jaren geleden. Dat stelt Luca een beetje gerust, want ze weet niet zo goed wat ze daar kan verwachten.
Yako reist ondertussen met zijn gezin vanuit het vakantiepark in Drenthe door naar Schiermonnikoog voor een paar dagen afleiding. Lena blijft nog even met haar gezin in Drenthe en Oliver en ik gaan zelfs nog een middag voor een paar uur naar ze toe om samen te wandelen en de kinderen kort te zien. Dat is fijn, maar ik voel het ziekenhuis aan me trekken. Ik ben snel overprikkeld door alle indrukken. Vooral voor al die onbekende en vakantievierende mensen wil ik mij het liefst afsluiten. Het voelt spannend om ‘zo ver weg’ te zijn van Luca, terwijl dat natuurlijk onzin is, want we zijn binnen een halfuur bij haar.
Wij zelf laten de planning van Luca’s bezoek nu steeds meer aan haarzelf over en ook ik ben nu niet meer hele dagen in het ziekenhuis. Dat geeft enerzijds wat rust, maar anderzijds ben ik in mijn hoofd alsnog de hele dag bij haar. Echte ontspanning is nog ver te zoeken.
Het gaat weliswaar in de grote lijn steeds beter met Luca, maar haar situatie voelt ook nog instabiel. Ook haar vriendinnen en Lena merken dat per uur zomaar alles kan veranderen. Dan gaat het van ‘goed’ binnen korte tijd naar ‘angstig, verdrietig, veel pijn en bezorgd’.
*
Ik kan nu soms wel eventjes op de bank kort slapen en wandel ook weer met de hondjes. Dat geeft afleiding en zij maken me altijd ook blij. Tegelijkertijd voel ik des te meer hoeveel impact dit alles op mij en op ons heeft gehad.
Tijdens een wandeling kom ik iemand tegen die zomaar een ‘hoe is het?’-vraag aan mij stelt. Ik heb het gevoel dat mijn hoofd explodeert. Ik houd het heel oppervlakkig en loop gauw door. Even later barst ik om die vraag zomaar in huilen uit.
Ik roep in de wind: “Het gaat kut!!! Ontzettend dikke kut. Blijf gewoon van mijn kind af.” Het kan mij even niet schelen dat ik een taal gebruik die ik anders niet zou gaan gebruiken. Mijn honden kijken wel even vragend naar mij.
*
Twee weken na de eerste noodoperatie reist Lena met haar gezin 600 km terug naar huis en appt mij vanuit de auto: “Hoe gaat het vandaag met jou, mam?”
“Moe. Ik ben moe, moe… te veel adrenaline gehad de afgelopen twee weken. Mijn systeem is ontregeld. Het voelt de hele tijd alsof er twee miljoen mieren door mijn lijf gieren en mijn tinnitus gilt in mijn oor”, antwoord ik.
Je leven kan in zo’n korte tijd zomaar compleet veranderen. Dat wist ik natuurlijk al lang, maar nu word ik er weer extra mee geconfronteerd.
*
Soms verkijkt Luca zich erop hoe vermoeiend al dat bezoek voor haar is. Vooral de mensen die ze nu voor het eerst weer ziet. Ze moet haar verhaal telkens weer opnieuw vertellen en ook ik merk dat sommige mensen zich desondanks geen voorstelling kunnen maken van wat er de afgelopen twee weken allemaal is gebeurd. Ze hebben geen idee hoe spannend en levensbedreigend de situatie was en deels nog is. Nog steeds wachten we ook op de uitslag van het pathologische onderzoek.
*
Mijn vriendin spreek ik in het ziekenhuis, kort nadat ze bij Luca op bezoek is geweest. We praten even bij en dan vraagt ze mij: “En? Heb je je ouders al gesproken?” Ik schud mijn hoofd. “Nee, ik heb het nog steeds niet kunnen opbrengen, maar het gaat wel veel door mijn hoofd.”
“Dat begrijp ik”, antwoordt ze. “Dit soort tijden zijn extra confronterend.”
*
Deze avond is Oliver bij Luca en ik raap al mijn moed bij elkaar en bel mijn ouders. Natuurlijk neemt, zoals altijd, mijn vader op: “Ik ben het, Anja.”, zeg ik en het is even stil aan de andere kant van de lijn. Ik vervolg: “Jullie hebben ondertussen gehoord wat er met Luca is?” Het is een retorische vraag, want ik ken het antwoord uiteraard. Ik heb niet de energie om het initiatief voor dit gesprek in mijn eentje te nemen.
“Hmm…” bromt mijn vader en er volgt weer een stilte. Ik laat die stilte gewoon vallen. Ik voel me te futloos om deze stilte te vullen.
“Hoe gaat het nu?” hoor ik mijn vaders stem op Noorse toon vragen. “Is ze er weer bovenop?”
Hij gebruikt weer het woord ‘ze’. Zo sprak hij ook altijd over mij met mijn moeder. Hij noemde niet mijn naam. Ik was altijd ‘ze’ of ‘zij’. Dat schepte onmiddellijk afstand. Alsof ik meer ‘een ding’ was in plaats van ‘zijn dochter’ of Anja.
Ik had al geen hoge verwachtingen van dit gesprek en dat was terecht. “Luca begint te herstellen, maar we waren haar bijna kwijt”, geef ik als antwoord. “Nou, dan is het goed”, antwoordt mijn vader en hij voegt eraan toe: “Ik geef je nog even je moeder.”
Dat was het gesprek met mijn vader. Geen enkele verdere vraag. Geen opmerking waaruit ik kan opmaken dat het hem wat doet of dat hij verder belangstelling heeft. Helemaal niets.
*
Een narcist heeft een ontwikkelingstekort op het gebied van het ‘empathisch vermogen’. Er is dan op psychisch, sociaal of biologisch vlak een verstoring opgetreden, waardoor de empathieontwikkeling tot stilstand is gekomen. Dat kan door een trauma ontstaan, maar er zijn meer factoren mogelijk die van invloed kunnen zijn. Bijvoorbeeld een verstoorde hechting in het gezin van herkomst.
Het tekort aan empathie richt zich altijd op de ander. Dat betekent dus niet dat een narcist geen eigen emoties of verdriet kan ervaren. Dat kan hij wel, maar uitsluitend als het hemzelf betreft. Narcisten missen het vermogen om mee te leven met gevoelens van anderen.
Dit gegeven vond ik lange tijd nogal verwarrend en ingewikkeld, want ik zag mijn vader best weleens emotioneel zijn. Hij was dan oprecht geraakt. Hij kon dus blijkbaar wel ‘voelen’. Dat dit iets heel anders is dan ‘zich kunnen invoelen’, begreep ik pas veel later.
In vaktaal wordt er een verschil gemaakt tussen cognitieve empathie en affectieve empathie. Cognitieve empathie is het intellectuele vermogen om andermans perspectief en gedachten te begrijpen. Affectieve empathie is het vermogen om medeleven te tonen in andermans emoties.
Cognitieve empathie, ‘het weten’, is een rationele afweging. Affectieve empathie, ‘het voelen’, gebeurt automatisch en is biologisch verankerd.
*
“Hallo Anja”, hoor ik de stem van mijn moeder. “Jeetje, wat een slecht nieuws hebben we daar gekregen. Wat zullen jullie geschrokken zijn. Ik weet natuurlijk hoe het is als je een kind kwijtraakt.”
Ik geef nu ook een ‘hmm…’ als antwoord. “Als we iets voor je kunnen doen, laat het ons dan weten. Ik weet alleen ook even niet wat dat zou kunnen zijn, maar je weet dat je altijd kunt bellen,” voegt mijn moeder eraan toe.
‘Dat weet ik niet’, gilt een stem in mij, maar ik spreek deze woorden niet uit.
Ik voel dezelfde kortsluiting. Net als toen mijn tante mij een paar dagen geleden de reactie van mijn ouders appte. Ik geef een korte reactie en laat weten dat ik nu heel moe ben en gauw ga slapen en beëindig dit gesprek.
“Wat moet ik hiermee?” zeg ik tegen de hondjes die naast me zitten. De woorden van mijn moeder roepen een behoefte in mij op die ze nooit kan vervullen. Het voelt een beetje surrealistisch. Ik moet denken aan de vele keren dat mijn vader jaloers reageerde als ik een klein moment met mijn moeder had.
*
Zo waren mijn ouders een keer, 30 jaar geleden, bij mij op bezoek en gingen we samen met Lena en Yako de stad in. In een opwelling zei ik tegen mijn moeder: “Mam, misschien kun je een keer een weekendje alleen komen en dan maken we daar een gezellig moeder-dochterweekend van.”
Ik had de zin nog niet goed uitgesproken en mijn moeder trok wit weg, begon te beven en fluisterde mijn kant op: “Dat mag papa niet horen. Dan wordt hij weer boos. Hij wordt toch altijd zo jaloers.”
Ik bevroor helemaal van deze uitspraak. De rest van de tijd tijdens hun bezoek zei ik niet meer veel. Deze zin verbaasde mij ergens niet en toch kon ik niet geloven dat dit gebeurde. Ik was toch hun dochter? Het enige kind dat ze nog hadden. En mijn moeder liet het gebeuren.
*
De volgende dag loop ik weer met de hondjes door het natuurgebied bij ons om de hoek en voel ik grote eenzaamheid in mij rondom het contact met mijn ouders. Misschien wordt het nu ook nog extra versterkt, omdat Oliver en ik elkaar ook even niet kunnen vinden.
Ik loop en voel de tranen rollen. Ik blijf staan en kijk om mij heen en voel ineens een enorme behoefte om aan dit alles te kunnen ontsnappen. Het liefst zou ik nu gewoon weggaan. Een camper kopen en zonder doel en een einddatum op pad gaan. Dit alles ontvluchten en pas terugkomen als het over is en ik mezelf weer teruggevonden heb.
Net als toen.
0 Comments