Met het ontdekken van het huisje in Pieterburen werd een volgende levensfase ingeluid. Niet snel, niet abrupt, maar heel geleidelijk aan konden we vanaf dat moment wennen aan het vooruitzicht om te gaan emigreren. Ik merkte dat het idee om met deze volgende stap nog meer afstand te creëren tot mijn ouders mij hielp. Misschien kon ik op die manier de pijn rondom onze verstoorde relatie steeds meer achter me laten.
Met de geboorte van Yako was er ook weer gedoe en kreeg ik in plaats van hulp in deze moeilijke tijd vooral verwijten te horen. Het toppunt was het commentaar van mijn vader toen we op Yako’s geboortedag belden om te vertellen dat zij een kleinzoon erbij hadden gekregen. De enige opmerking die mijn vader maakte was: “Jeetje, wat een domme naam. Had je niets beters kunnen verzinnen?”
Het voelde als weer een volgende messteek. Het ergste was dat er vooral niets tegenover stond. Geen ‘gefeliciteerd’ of ‘hoe gaat het nu met jullie?’ of soortgelijke vragen of opmerkingen. Ik moest het doen met ‘wat een domme naam’.
Afstand was daarom meer dan welkom. Er zouden straks niet alleen maar ‘kilometers’ tussen ons liggen, maar ook een andere cultuur en taal. Dat gaf mij ademruimte en de mogelijkheid om te kunnen herstellen van alle pijn en wonden die zijn gedrag de afgelopen jaren achter had gelaten.
*
De keuze om met de daadwerkelijke koop van het huis te wachten tot na de bevalling bleek achteraf een wijze beslissing, ook al wisten we op dat moment nog niet wat er nog op mij af zou komen. Dat de zwangerschap zoveel moeizamer zou gaan verlopen dan die van Lena, zagen we toen nog niet aankomen.
*
Na Yako’s geboorte had ik zelf nog maanden nodig om ook lichamelijk te herstellen en dat maakte dat we weliswaar het koopcontract gingen tekenen, maar dat mijn partner in z’n eentje, enkel in begeleiding van Zaff en soms met hulp van zijn vader, het huisje in Pieterburen ging opknappen en verbouwen.
Dan was hij soms weken weg en probeerde ik, zo goed en zo kwaad als het me lukte en met hulp van mijn schoonmoeder, de kinderen te verzorgen. Dat viel soms erg tegen, want geregeld lukte het me niet eens om in mijn eentje Yako uit zijn bedje te tillen. Dan moest ik eerst mijn schoonmoeder bellen, soms midden in de nacht, en regelmatig was ik dan in tranen van frustratie. Maar met de tijd ging het toch steeds een klein beetje beter, totdat er uiteindelijk in april 1991 het moment was dat we echt gingen verhuizen naar Pieterburen.
*
Behalve dat we het huisje hadden gekocht, hadden we nog geen plannen. Het andere huis, waar we de afgelopen 1,5 jaar zelf in hadden gewoond, ging weer in de verhuur en daarmee hadden we in ieder geval alvast een basisinkomen. Alles andere zou met de tijd moeten ontstaan en gewend als we waren om met weinig geld rond te komen, lukte ons dat ook deze keer zonder al te veel moeite.
*
Pieterburen was een dorp dat openstond voor nieuwe mensen en hier lukte het ons gemakkelijk om kennis te maken met buren en andere dorpsbewoners. We kregen er een warm welkom en mensen waren nieuwsgierig naar ons.
Pieterburen kende een geschiedenis van communes, nieuwe levensvormen; er woonden diverse kunstenaars en veel westerlingen die iets nieuws wilden proberen. De schrijfster Tessa de Loo had in Pieterburen haar roman Meander geschreven over het leven in het dorp, gebaseerd op haar eigen ervaringen in de jaren ’80. En uiteraard had ook Lennie ’t Hart met haar zeehondenopvang in die tijd veel invloed op het dorp.
Stap voor stap zochten en vonden we onze weg in deze nieuwe levensfase.
*
Wat ik het moeilijkst vond, was het feit dat we de taal nog niet kenden. Dat vond ik ook het meest spannend, want ik kampte nog steeds met mijn ‘taalangst’. Een taalcursus hadden we niet gevolgd en vanaf nu leerden we ‘zodoende’.
Ik noemde het achteraf ‘de fase van woordeloosheid’. Dat is een hele aparte gewaarwording, want op het moment dat je geen woorden kunt geven aan of in je (dagelijks) leven, raak je een beetje ontworteld.
Hier zou jaren later ook Oliver enorm mee worstelen en ik herkende dat gevoel. Het wordt daardoor een stille zoektocht op weg naar een nieuwe basis.
Deze vorm van ‘woordeloosheid’ raakt ook aan een gevoel van ‘je dom voelen’, terwijl je natuurlijk niet dommer bent geworden. Mensen benaderen je soms wel als een soort klein kind. Dan is het een hele uitdaging om je daardoor niet minderwaardig te gaan voelen.
Deze ‘woordeloosheid’ lijkt te horen bij het natuurlijke proces van het leren van een nieuwe taal. Het is de fase waarin iemand de taal wel begrijpt, maar nog niet kan spreken. De fase waarin je ontdekt dat sommige vertrouwde begrippen uit de moedertaal soms ook gewoon niet direct vertaalbaar zijn. Terwijl deze fase vaak ongemakkelijk en soms ook frustrerend aanvoelt, is het een cruciaal proces waarbij de hersenen nieuwe taalstructuren ontdekken en verwerken en het taalgevoel kan groeien.
*
We hadden een hele lieve, oude buurvrouw die in een nog kleiner en bescheidener huisje dan het onze woonde. Zij nodigde de kinderen regelmatig uit voor een kopje thee met heel veel suiker erin en las dan kinderboeken voor. Dribbel de hond en Nijntje werden niet alleen de taalcoaches voor de kinderen, maar ook voor ons.
Lena mocht daarnaast twee keer per week naar de peuterspeelzaal en na de zomervakantie ging zij naar groep 1 van de basisschool in het dorp.
De eerste weken was dat voor haar ingewikkeld, maar het duurde niet lang en ze maakte enorme sprongen vooruit. Na een halfjaar sprak zij Nederlands al net zo goed als Duits. Yako moest nog even wachten totdat hij ook naar de peuterspeelzaal mocht, maar eenmaal gewend leerde ook hij spelenderwijs Nederlands. Hij leerde in feite twee talen tegelijk.
Thuis bleven we Duits met elkaar praten en op die manier werden de kinderen tweetalig.
*
Onszelf ging het aanleren van de nieuwe taal iets minder gemakkelijk af, maar toch leerden we juist door ‘te doen’ snel. Deze nieuwe manier van ‘een taal leren’ bleek voor mij de sleutel te worden om mijn taalangst te leren overwinnen. Dit leek in niets op de lessen vroeger op school. Ik leerde ‘op gevoel’ en niemand deed vervelend als het soms niet lukte of misging. Integendeel, de poging om het te willen leren werd juist gewaardeerd en dat werkte bemoedigend.
Desondanks ontstond er regelmatig verwarring, misschien juist omdat Nederlands soms lijkt op Duits. Zo vulde ik het woord ‘pijnlijk’ met een andere betekenis. Pijnlijk leek op ‘peinlich’, wat dus gênant betekent. Toen ik een keer aan een andere moeder op school vertelde over mijn rugklachten, noemde zij het woord ‘pijnlijk’ en ik begreep niet waarom zij suggereerde dat het ‘gênant’ zou zijn. Het was gewoon een ‘spraakverwarring’.
Maar juist het ontknopen van dit soort misverstanden was heel leerzaam. Daarna zou ik namelijk nooit meer vergeten wat ‘pijnlijk’ betekende, namelijk ‘schmerzhaft’.
*
Desondanks was het eerste jaar daardoor soms ook stroef, want met de tijd lukte het weliswaar steeds beter om me verstaanbaar te maken, maar de gesprekken bleven nog lange tijd vooral heel praktisch en een beetje (taal)technisch. Grapjes maken, nuances aanbrengen, dieperliggende onderwerpen bespreken was nog niet mogelijk.
Daardoor miste ik soms wel de mooie gesprekken met vrienden van vroeger. Ook schrijven kon ik nog niet in de Nederlandse taal. Dat zou ik pas later leren.
*
Met het volgen van mijn studie aan het conservatorium kwam hier uiteindelijk verandering in. Wilde ik de studie kunnen volgen, dan moest ik nu ook de taal snel beter onder de knie krijgen.
Het hielp dat ik vanaf dat moment iedere dag uitgebreid onder Nederlandssprekende mensen was. Ik kon mij nergens meer achter verschuilen en wilde dat ook niet meer. Mijn drijfveer was nu groot en dat hielp.
Sommige lessen heb ik helemaal opgenomen en thuis zin voor zin teruggeluisterd. Alle woorden die ik niet begreep, zocht ik op in een woordenboek. Dat was veel extra werk en omslachtig, maar daardoor was ik al snel mijn taalachterstand kwijt en daarmee had ik ook eindelijk mijn ‘taalangst’ overwonnen.
*
Inmiddels ben ik vele tientallen jaren verder en kost het mij geen enkele moeite meer om mij te redden in het Nederlands. Dat valt mij nu ook op, want na een korte opmerking ‘hoor ik hier een accentje?’ gaat het er vervolgens nooit meer over tijdens de gesprekken met de artsen.
Vroeger werd ik dan vaak nog een paar keer achter elkaar gevraagd of ik wel alles begreep, of de vraag werd gesteld of we anders in het Engels verder moesten praten. Dat is nu over het algemeen voorbij.
*
“In welke taal droom jij eigenlijk?” wordt mij soms nog wel gevraagd en die vraag vind ik vooral leuk. “Dat hangt af van de context en de situatie”, leg ik dan uit en ik illustreer het aan de dromen van mijn kinderen.
Toen we kampeerden, hoorden we ze soms ineens hard praten in hun droom. Droomden ze van situaties op school of met vrienden, dan hoorde je ze in het Nederlands roepen. Hadden ze ruzie met ons, dan riepen ze in het Duits. Dus ook de dromen worden dan tweetalig. Zo handig is ons brein in de taalverwerking.
0 Comments