door Anja Kuhn

Hoofdstuk 30 – Uitgeput

14 Aug 2026

‘Onveiligheid heb je in vele soorten en maten’, denk ik nadat ik ook nu weer teruggetrokken word in de tijd. De tijd na het afronden van mijn masteropleiding.

‘Onveiligheid’ is onlosmakelijk verbonden aan het ervaren van stress. Dat weet ik ook vanuit mijn werk en zie ik regelmatig terug in de thema’s en de beleving van mijn cliënten. Onveiligheid en het ervaren van angsten gaan dan samen. Existentiële angsten, specifieke en soms ook niet-functionele angsten (voortkomend uit belemmerende aannames en overtuigingen) en zorgen – ze kosten ons ontzettend veel energie en laten ons verstarren, vechten of vluchten.

Ze gaan samen met gevoelens van schaamte, verdriet en onmacht en omdat we deze gevoelens maar moeilijk kunnen verdragen, doen we er vaak alles aan om ze te vermijden.

Helaas werkt vermijdingsgedrag angstontwikkeling in de hand. Wat een oplossing zou moeten bieden, wordt daardoor op den duur een zichzelf versterkende en negatieve spiraal.

*

Onveiligheid ervaren ook wij op dit moment en dan op verschillende niveaus. In de eerste dagen in het ziekenhuis voelen we onveiligheid door de acuut levensbedreigende situatie rondom Luca’s gezondheid.

Inmiddels ervaren we onveiligheid doordat we allemaal op een eigen manier geconfronteerd zijn met de onvoorspelbaarheid van het leven. Een leven zonder garanties.

In feite is het leven altijd onvoorspelbaar en krijgt niemand garanties voor de toekomst. Niet de nabije toekomst en ook niet de verre. Terwijl we dat allemaal weten, is het westerse leven ondertussen toch ingericht op een bepaalde vorm van maakbaarheid. Als maatschappij functioneren we met elkaar binnen dat verwachtingspatroon.

We maken plannen, afspraken, sluiten verzekeringen af en tekenen een toekomstbeeld. Dit toekomstbeeld komt vaak ook uit. Daardoor zijn we soms in de veronderstelling dat we ‘recht’ hebben op de uitkomst van dit toekomstplaatje. Dat is alleen een misvatting.

Het leven is altijd in beweging en alles heeft invloed op elkaar. De afspraken die wij mensen met elkaar maken geven ons weliswaar kaders, maar het leven heeft zijn eigen wetmatigheden en processen. Op het moment dat we daarmee geconfronteerd worden, ervaren we het leven vaak als onvoorspelbaar en daardoor onveilig of oneerlijk.

Al een tijd ben ik op zoek naar een antwoord op de vraag waar hier de bevrijding ligt. Of hoe je in ieder geval verlichting kunt ervaren, zodat je een beroep kunt blijven doen op je flexibiliteitsvermogen.

Een deel van dat antwoord ligt volgens mij in het besef dat het leven voortdurend aan veranderingen blootgesteld wordt. Hoe meer wij onszelf trainen om flexibeler te blijven in de omgang hiermee, hoe meer veerkracht we gaan ontwikkelen.

Een voorwaarde is wel dat er voldoende ruimte en een bedding is voor ‘herstel’, zowel lichamelijk als ook emotioneel. Is deze ruimte er niet, dan raken we op den duur uitgeput.

*

“Volgens mij weet je het zelf al, maar ik zeg het toch maar hardop tegen jou: je hebt een burn-out”. Mijn huisarts liet een stilte vallen en keek mij aan. Ik hoorde haar stem en bevroor. Ik ging nog net niet tandenklappen, maar voelde dat mijn bloed wegtrok. Waarheen, wist ik ook niet.

Ik wilde iets doen, iets zeggen, maar ik kon niet. Ik voelde alleen maar dat ik begon te trillen. Mijn benen sloegen lichtjes tegen elkaar aan en het gepiep in mijn oren werd ‘oorverdovend’.

Als ik nu dood was neergevallen, had ik het niet erg gevonden. Niet dat ik mezelf iets aan wilde doen, maar ik was moe, heel erg moe. Zo moe, dat ik geen idee had hoe ik hier nu mee om moest gaan, hoe ik hier weer uit moest komen. Dat was twee weken voor de zomervakantie in het jaar 2014.

*

Ik had de afgelopen jaren alles gegeven om er iets van te maken. Ik had mij 200% ingezet, elke tegenslag opgepakt en er weer een ‘kans’ van gemaakt. Ik had mezelf tot het uiterste gedreven, want ik hoefde niets cadeau. Ik had in mijn volwassen leven nog nooit iets cadeau gekregen. Voor mij was het vanzelfsprekend dat ik alles zelf moest ‘verdienen’. En nu zat ik hier helemaal verdoofd.

Met de kennis van nu weet ik dat ik op dat moment al een hele tijd op mijn noodaggregaat functioneerde. Ik had mijn energiebuffers al lang opgemaakt. Mijn lijf had mij dat ook laten weten, maar ik dacht telkens weer dat ‘het nog maar even zou duren en dan kon ik wel weer opladen’. Alleen liep het telkens weer anders en na ‘nog maar even’ volgde direct een volgende ‘nog maar even’.

In zo’n geval schakelt ons systeem op een gegeven moment om en maakt het gebruik van onze allerlaatste noodreserves. Dat is een verraderlijk moment, want dan lijkt het alsof we ineens weer energie hebben, maar niets is minder waar. In feite zijn we dan bezig met een laatste uitputtingsslag.

In deze fase zie je dat mensen tijdens de overgang van overspannenheid naar een burn-out steeds actiever worden en juist nog meer dingen naar zich toetrekken. De buitenwereld ziet dan al lang dat het niet goed gaat, maar de persoon zelf kan niet meer stoppen. Stoppen is ook om een andere reden geen optie: er zou dan ruimte kunnen ontstaan om ‘te moeten voelen’. Voelen hoe het nou eigenlijk echt met je gaat – en dat voelt op dat punt te overweldigend.

Signalen die de buitenwereld in deze fase vaak oppikt zijn: niet meer ontvankelijk zijn voor feedback, emotioneler reageren, voortdurend gehaast zijn, drammerig of (over)controlerend gedrag vertonen, zich steeds meer terugtrekken uit het sociale leven en een kort lontje hebben naar anderen toe.

Vanuit een laatste poging om de controle niet kwijt te raken, gaat de persoon juist nog een versnelling hoger draaien. Rust is in deze fase voor veel mensen haast niet meer te verdragen en voelt eerder bedreigend dan helpend. Ontspanning valt in fases van rust niet meer te vinden. Zelfs slapen wordt vaak een probleem, ondanks de groeiende vermoeidheid.

*

“Wat kan ik dan nu doen, zodat het snel weer beter gaat?”, vroeg ik haar, en ik moest de woorden als door een soort mist vanuit mijn brein naar boven hengelen. Mijn gedachten voelden stroperig aan en waren langzaam. Ik merkte nu pas dat de tranen over mijn gezicht rolden. “Niets. Jij doet eerst helemaal niets, behalve goed voor jezelf zorgen. Daarnaast raad ik je aan om hulp te zoeken, zodat je een gesprekspartner hebt die je helpt te ordenen. Sta jezelf toe dat je dit niet alleen hoeft te doen. En houd er rekening mee dat het tijd nodig heeft.”

Ik hoorde haar en ik hoorde haar ook niet. Ik kon het allemaal nog niet bevatten en tegelijkertijd voelde ik ook boosheid en schaamte opkomen. Hoe had ik het toch zover kunnen laten komen? Ik, die altijd alles zo goed van tevoren bedacht, nooit de kantjes ervan af liep, altijd nog een tandje harder ging dan nodig was. Ik heb het niet kunnen voorkomen.

“Ik wil je over 2 weken weer zien en geef je een adres van iemand die je misschien verder kan helpen. Neem daar maar contact mee op en ondertussen mag je van mij alles doen wat je helpt om te ontspannen”. Ik keek haar zoekend aan. Ontspannen. Ik had geen idee meer wat dat was; zoveel jaren al was ik altijd bezig. “En ga slapen als je moe bent. Ook als dat overdag is”

Ik verliet de praktijk en reed terug naar huis. Het voelde een beetje alsof ik buiten mezelf stond. Angst gierde door mijn lijf. Angst dat ik nu alles kwijt zou raken, maar ik kon er niets meer tegenin brengen. Thuis sleepte ik mezelf nog naar de bank en viel onmiddellijk in een diepe slaap.

*

De komende maanden zou ik nog heel veel tijd slapend op onze bank doorbrengen, afgewisseld met wandelingen met Bilbo, onze hond.

Bilbo was nog maar net bij ons. Drie maanden eerder hadden we Julius moeten laten inslapen. Een zwarte, middelgrote, superlieve krullebol die de afgelopen 13 jaar in ons leven was geweest. Hij was drie jaar oud toen Luca werd geboren.

We waren allemaal heel erg verdrietig toen Julius er niet meer was en we mistten hem ontzettend. Toch wilde ik deze keer proberen hoe een leven zonder hond zou zijn. Ik was immers afgelopen jaar voor het eerst oma geworden. Misschien zouden we dan toch vaker een lang weekend naar Lena gaan, maar dat was niet handig met en vooral voor een hond. De drukte van de grote stad was niet hondvriendelijk en dan zouden we iedere keer opvang moeten regelen. Dus moest het misschien zo zijn dat er nu een hondenvrije periode aankwam.

Deze keuze werd met verbazing ontvangen in mijn omgeving en dat bleek terecht. Vlak voor de zomer herzag ik de keuze. Een leven zonder hond kon ik mij toch niet voorstellen. Er miste dan iets wezenlijks in mijn leven. Ik kon dat moeilijk in woorden vatten en hield het voor het gemak bij het stukje ‘gezelligheid’.

We keken wat rond en vonden uiteindelijk een hondje dat herplaatst moest worden. Een Friese stabij van 9 maanden oud. We maakten kennis en namen hem direct mee naar huis. Hij zou ons leven behoorlijk op z’n kop zetten, maar dat wisten we op dat moment gelukkig nog niet.

Bilbo was een supergevoelige, slimme, maar ook zeer uitdagende en helaas ook zieke hond, bleek later. We hebben ontzettend veel met en van hem geleerd. Hij stond uiteindelijk aan de wieg van mijn coachpraktijk, maar ook dat wist ik op dat moment nog niet.

*

De wandelingen kon ik alleen nog maar heel rustig doen. In tegenstelling tot de periode hieraan vooraf, toen ik alles op hoge snelheid deed: ik fietste hard, liep snel, at snel, zat nooit lang stil, ademde snel, deed altijd meerdere dingen tegelijk, liet de hond snel uit, sprak snel. Ik had nooit tijd – dat gevoel had ik in ieder geval.

Dat veranderde acuut toen ik ineens thuis was. Op wat korte gesprekjes met mijn gezinsleden na kon ik weinig verdragen. Af en toe schoof ik aan voor de nodige maaltijden. Alhoewel eten al maanden nog maar moeilijk binnenbleef en ik in korte tijd, zonder toedoen, 8 kilo was afgevallen.

Ik kan er nu mijn hoofd over schudden, maar zelfs dat kwam mij eerst nog goed uit, want Lena ging toen trouwen en dan kon ik misschien net wat fijner zittende kleren aan, maakte ik mezelf wijs. Terwijl het snelle afvallen helemaal geen keuze was en ik ook al een afspraak bij een arts had staan om te kijken wat er aan de hand was. Ik bedreef gewoon een soort ‘wetende struisvogelpolitiek’; ook dat zie je vaak bij mensen die op weg zijn om burn-out te raken.

Mijn hartritmestoornis was helemaal losgegaan en mijn hart sloeg op een dag nog maar 3 slagen normaal, stelde een cardioloog later vast. Het voelde alsof ik een losgeslagen enorme kikker, of eerder een dikke pad, in mijn borstkas had zitten. Je kon aan de buitenkant zien hoe mijn hart tekeerging.

Mijn hoofd barstte uit elkaar van de knallende hoofdpijn, mijn zicht werd soms ineens sterk beperkt en ik keek dan door een soort tunnel of caleidoscoop en dat ging samen met het voortdurende gillende gepiep in mijn oren. Er was geen ontkomen aan. Ik kon de signalen niet langer negeren. Mijn stresssysteem was uitgeput geraakt als gevolg van jarenlange, zich opstapelende stressklachten.

Ik voelde me continu opgejaagd en doodmoe tegelijk. Ik kon mij op niets concentreren – geen boek lezen, geen serie kijken, geen langere gesprekken volgen en al helemaal niet mensen die door elkaar heen praatten. Ik werd soms weer overspoeld door golven van angst. Angst dat dit nooit meer goed zou komen. Dat ik niet meer de oude zou gaan worden

*

Deze angst zie ik ook bij mijn cliënten, op het moment dat ze voor het eerst bij mij binnenkomen op zoek naar hulp. Ik begrijp deze angst en weet hoe overweldigend dit gevoel kan zijn.

“Ik hoop eerlijk gezegd dat je niet meer de oude wordt”, zeg ik nu vaak. “Want stel je voor dat je gewoon weer de oude wordt, dan zou je ook je oude valkuilen houden en in feite niets geleerd hebben. Dan gaat zich over een tijd alles weer herhalen. Laat dit vooral het vertrekpunt worden voor iets nieuws. Iets wat passender is bij jou en je huidige levensfase”.

Uit ervaring weet ik dat hierin de kans ligt van deze intense ervaring om burn-out te raken. Zodra dat besef er mag zijn, kan er een soort transformatie plaatsvinden. Niet snel en ‘eventjes’, maar stap voor stap.

Eerst is er ruimte nodig voor lichamelijk en emotioneel herstel. Je moet weer leren rusten en slapen om de negatieve neerwaartse spiraal tot stilstand te kunnen brengen. Veel mensen weten op dat moment vaak niet meer hoe ze dat moeten doen – ontspannen – en hebben ook daar eerst hulp bij nodig.

Pas daarna kan er op gepast tempo gewerkt worden aan bewustwording en het verkennen van (belemmerende) aannames, overtuigingen en eventueel nieuw gedrag en nieuwe keuzes. Als dat op een gegeven moment lukt, dan hoor ik mensen achteraf zeggen: “Ik voel me dankbaar dat mij dit is overkomen en ik wil ook nooit meer terug. Ik weet nu veel beter wie ik ben en wat ik nodig heb.” En ook dat herken ik.

*

Een burn-out komt nooit overnacht. Hij heeft een aanloop nodig. Je komt er (zeker een eerste keer) bijna altijd ongemerkt in terecht. Het is vaak een combinatie van werk- en niet-werkgerelateerde factoren, waarbij de druk over een lange periode geleidelijk aan steeds hoger oploopt.

In mijn geval begon het met de diagnose Bechterew en het zoeken naar een nieuw evenwicht, of misschien zelfs al eerder.

Ook mijn verleden speelde ondergronds een rol, doordat ik gewend was om hard te werken als het moeilijk werd of tegenslag op mijn pad kwam en om het alleen te doen. Het maakte me op een bepaalde manier weerbaar, maar ook ‘hard tegen mezelf’. Mild was ik met name naar anderen toe, maar aan mezelf stelde ik hoge eisen. Niet zeuren en maar door. Op die manier heb ik immers kunnen overleven.

*

Ik denk ineens aan Luca en kan alleen maar hopen dat zij die mildheid naar zichzelf toe nu wel kan vinden tijdens haar revalidatiefase en ook in de tijd die gaat volgen. Zij heeft namelijk ook een sterke ‘doorpakker’ in zich en deze kant is mooi en waardevol, zolang deze in evenwicht is. Tegelijkertijd loert er een gevaar.

Een ‘doorpakker’ in de overdrive kan namelijk niet meer stoppen met ‘doorpakken’ – vanuit een poging om jezelf veilig te houden. ‘Doen’ wordt dan de oplossing voor alles – met name zorgt hij ervoor dat je weg kunt blijven van overweldigende of confronterende emoties die voortkomen uit dit soort ingrijpende ervaringen. Ervaringen die beangstigend zijn of zelfs traumatiserend. Doorpakken en doen is dan een copingsmechanisme.

Een ‘doorpakker’ oogt voor de omgeving op het eerste gezicht vaak prettig. Je ziet dan aan de buitenkant vooral iemand die de draad gemakkelijk weer lijkt op te pakken en ‘zomaar’ terugkeert in zijn of haar leven. Iemand die ‘flink is’. Dat voelt natuurlijk fijner voor de omgeving dan dat je ziet dat iemand het moeilijk heeft en wordt daarom vaak door de omgeving toegejuicht. De omgeving ervaart een ‘doorpakker’ als minder confronterend en komt daardoor zelf niet of minder in aanraking met gevoelens van onmacht, schuld of schaamte.

Maar een overactieve ‘doorpakker’ kan verraderlijk zijn. Op een later moment kan hij – dan ogenschijnlijk zonder aanleiding, omdat de aanleiding al te ver terugligt – een situatie alsnog doen escaleren.

0 Comments

Submit a Comment

Your email address will not be published. Required fields are marked *